Vervangende toestemming voor vaccinatie

Nog niet zo lang geleden was het wel of niet laten vaccineren van kinderen een ‘hot topic’. Het overgrote deel van de ouders laat hun kinderen deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma, maar er zijn ook ouders die dat niet doen en uit de praktijk blijkt dat dit steeds vaker onderwerp van gesprek is. Voor (gescheiden) ouders kan dit onderling een bron van conflict vormen. Op dit moment staat het coronavaccin op het punt om te worden uitgerold. Reden genoeg voor een nadere beschouwing van het juridische aspect met betrekking tot het wel of niet laten vaccineren van kinderen.

Het laten vaccineren van kinderen wordt gezien als een gezagsbeslissing in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Iedere ouder die met het gezag over een kind is belast, is dus bevoegd om hier een beslissing over te nemen. Wanneer ouders gezamenlijk het gezag over een kind hebben en het niet eens worden over deze kwestie, kunnen zij aan de rechter vragen om een beslissing te nemen over het geschil en vervangende toestemming te verlenen voor het laten vaccineren.

Met betrekking tot vaccinaties die onderdeel zijn van het rijksvaccinatieprogramma, zijn er al een aantal gevallen bekend waarbij de rechtbank hierover een beslissing heeft genomen. Bij dergelijke beslissingen staat het belang van het kind voorop. In de regel blijkt uit de jurisprudentie dat de rechters de vaccinaties van het rijksvaccinatieprogramma in het belang van het kind achten, omdat zij anders meer risico zouden lopen om een (gevaarlijke) ziekte op te lopen waartegen zij gevaccineerd hadden kunnen zijn. Om die reden wordt er doorgaans vervangende toestemming verleend voor het laten vaccineren van het betreffende kind.[1]

Het coronavaccin zal (voorlopig) echter niet worden opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma. Omdat dit een nieuw soort virus en dus nieuw soort vaccinatie is, is er op dit moment nog weinig duidelijkheid. Ook is dus nog onduidelijk of de rechtbanken voor dit vaccin in de toekomst ook vervangende toestemming zullen verlenen. Dit zal de jurisprudentie op dit gebied uiteindelijk moeten uitwijzen. Interessant daarbij is om te kijken naar eerdere jurisprudentie die is gewezen met betrekking tot vaccinatie voor de Mexicaanse Griep. In 2009 zijn er door diverse rechtbanken uitspraken gedaan over het verlenen van vervangende toestemming voor vaccinatie tegen de Mexicaanse Griep. In vrijwel alle gevallen werd deze toestemming niet verleend, omdat de rechters vonden dat de vaccinatie niet noodzakelijk was om ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind te voorkomen.[2] Natuurlijk is het Coronavirus niet hetzelfde als de Mexicaanse Griep, maar voor beide vaccinaties geldt wel dat zij niet zijn/worden opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma. Daarom is het wel interessant om naar de uitspraken rondom vaccinatie tegen de Mexicaanse Griep te kijken. Ten aanzien van het coronavaccin zal dus nog moeten blijken of rechters dit vaccin wél noodzakelijk vinden om ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind te voorkomen. Dit zal in iedere procedure opnieuw worden getoetst en daarbij zullen ook de concrete omstandigheden van het geval telkens een rol spelen.

Mocht het zo ver komen dat u een conflict krijgt over het wel of niet laten vaccineren van uw kind(eren), laat u dan goed voorlichten over de juridische mogelijkheden. Uiteraard kunt u altijd contact met ons opnemen voor meer informatie via 026-3823114 of info@boevefamilierecht.nl.

[1] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:4218) en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 januari 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:257)

[2] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Roermond van 26 november 2009 (ECLI:NL:RBROE:2009:BK5011) en de uitspraak van de Rechtbank Zutphen van 10 december 2009 (ECLI:NL:RBZUT:2009:BK7069).