Het exclusief gebruik van de gezamenlijke woning

Tijdens een scheidingsprocedure kunnen de gemoederen vaak hoog oplopen. Soms zelfs zo hoog, dat het voor partijen niet langer mogelijk is om nog samen onder één dak te blijven wonen. Scheidingsprocedures kunnen vaak een lange tijd in beslag nemen en vaak is ook niet direct al duidelijk wat er na afloop met de woning moet gaan gebeuren. Als dan in tussentijd geen overeenstemming kan worden bereikt over wie de woning dient te verlaten en wie er (al dan niet tijdelijk) in de woning mag blijven wonen, kan het starten van een procedure soms onvermijdelijk zijn.

Echtscheiding

Voor partijen die met elkaar gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben, bestaat er de mogelijkheid om een zogenaamde voorlopige voorzieningen procedure bij de rechtbank aanhangig te maken. In zo’n voorlopige voorzieningen procedure kan aan de rechter worden gevraagd om voor bepaalde onderwerpen ordemaatregelen te treffen. Een van die onderwerpen is de vraag wie van de echtgenoten voor de duur van de echtscheidingsprocedure met uitsluiting van de ander in de echtelijke woning mag blijven wonen. Daarbij kan de rechter dus ook bepalen dat de ander de echtelijke woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

Interessant hierbij is dat het gaat om de ‘echtelijke woning’. Dat zegt dus niets over de vraag van wie de woning eigendom is. Er kan dus in een echtscheidingsprocedure ook om het uitsluitend gebruik van een woning worden gevraagd die privé-eigendom is van de andere echtgenoot. Daarnaast maakt het ook niet uit of het om een koopwoning of een huurwoning gaat.

Indien een dergelijk verzoek aan de rechtbank voorligt en beide partijen verzoeken om het uitsluitend gebruik van de woning, dan zal er door de rechter een belangenafweging worden gemaakt. Het verzoek van degene die in de visie van de rechter het grootste belang heeft bij het exclusief gebruik van de woning, zal in de regel worden toegewezen.

Beëindiging samenlevingscontract

De kwestie van het gebruik van de woning kan ook aan de orde zijn bij partijen die niet met elkaar zijn gehuwd en ook geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, maar wel een samenlevingscontract hebben gesloten. In zo’n geval kan geen gebruik worden gemaakt van de hiervoor geschetste voorlopige voorzieningen procedure. In de praktijk zien we echter vaak dat mensen in een samenlevingscontract wel een soortgelijke bepaling opnemen, die inhoudt dat bij het einde van het samenlevingscontract aan de rechter kan worden gevraagd om uit te spreken dat hij of zij voor een bepaalde periode met uitsluiting van de ander mag blijven wonen in de gezamenlijk bewoonde woning. Ook in zo’n geval wordt door de rechter een belangenafweging gemaakt.

Aangezien het partijen in het geval van een samenlevingscontract vrij staat wat zij met elkaar overeenkomen en niet alle teksten van alle samenlevingscontracten exact gelijk zijn, is het altijd van belang om in ieder specifiek geval te kijken of er een dergelijke bepaling in het samenlevingscontract is opgenomen en zo ja, hoe deze bepaling er in het betreffende samenlevingscontract specifiek uit ziet. Afhankelijk daarvan kunnen de mogelijkheden voor het starten van een procedure worden besproken.

Informele samenlevers

Naast samenlevers met een samenlevingscontract, is er ook nog de categorie mensen die wel met elkaar samenleven maar niets op papier hebben geregeld. In de praktijk worden dit ook wel de ‘informele samenlevers’ genoemd. Aangezien zij geen samenlevingscontract hebben opgesteld, is er in zo’n geval ook  geen bepaling in een samenlevingscontract waar op teruggegrepen kan worden als het onwenselijk is om het gebruik van de woning nog langer gezamenlijk voort te zetten. Is er sprake van een koopwoning, dan wordt gesproken van een eenvoudige gemeenschap en biedt de wet wel enkele regels. Zo kan bij een gemeenschappelijk goed bijvoorbeeld aan de kantonrechter worden verzocht om een regeling te treffen over het gebruik hiervan. Op die manier ontstaat er toch vaak een ingang om aan de rechter te vragen het exclusief gebruik van de gezamenlijke woning toe te kennen. Dit biedt echter geen uitkomst als er geen sprake is van een koopwoning, maar van een huurwoning.

Over een dergelijk geval heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam recentelijk een oordeel gegeven[1]. In deze casus was sprake van partijen die niet met elkaar waren gehuwd of een geregistreerd partnerschap waren aangegaan en ook geen samenlevingscontract hadden. Wel woonden zij met elkaar samen in een huurwoning. De voorzieningenrechter constateerde in deze zaak dat sprake is van een leemte in de wet. Partijen die wel met elkaar getrouwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, kunnen in het kader van het einde van hun relatie een voorlopige voorziening bij de familierechter verzoeken, zoals hiervoor ook reeds is uitgelegd. Voorts overwoog de voorzieningenrechter dat partijen die een samenlevingscontract hebben gesloten, en daarin met het oog op een eventueel uiteengaan (veelal) afspraken hebben gemaakt over hun koop- of huurwoning, veelal bij de gewone civiele rechter terecht kunnen met hun overeenkomst als grondslag voor vorderingen. Nu er materieel geen onderscheid tussen uit elkaar gaande samenwoners enerzijds en uit elkaar gaande gehuwden, geregistreerd partners en samenwoners met een overeenkomst anderzijds bestaat en te rechtvaardigen is, achtte de voorzieningenrechter het aangewezen – maar ook redelijk en billijk – om in deze procedure eenzelfde belangenafweging te maken als de familierechter zou maken in een voorlopige voorzieningenprocedure betreffende het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.

Als het aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam ligt, zou er dus in iedere mogelijke zaak waarin sprake is van een spoedeisend belang, om een spoedig oordeel aan de rechtbank gevraagd moeten kunnen worden over het uitsluitend gebruik van de woning. Dit ongeacht de vraag of sprake is van gehuwden, geregistreerd partners of samenwoners met of zonder samenlevingscontract.

Tot slot

Geregeld doen zich situaties voor waarin het samenleven onder één dak echt onhoudbaar is geworden en het wenselijk is om snel te schakelen. De advocaten van Boeve Familierecht hebben hier veel ervaring mee en helpen u graag. Heeft u vragen over dit onderwerp? Of is er een andere familierechtelijke kwestie waar u hulp bij kunt gebruiken? U kunt altijd vrijblijvend contact met ons opnemen. Wij zijn te bereiken op 026 – 3823114 of via info@boevefamilierecht.nl.

[1] Rechtbank Rotterdam 25 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:410.

Indexeringspercentage alimentatie 2024

Jaarlijks dienen per 1 januari de alimentatiebedragen geïndexeerd te worden. Dit vloeit voort uit de wet. Voor 2024 is het percentage door de overheid vastgesteld op 6,2%.

De indexatie van de alimentatie is wellicht een goed moment om te laten toetsen of de alimentatie die u betaalt of ontvangt nog wel aan de wettelijke maatstaven voldoet. Het kan zijn dat er relevante omstandigheden zijn gewijzigd, die maken dat een herberekening van de alimentatie gerechtvaardigd is. Wij kunnen u altijd helpen met een dergelijke berekening.

Heeft u vragen over de indexatie van de alimentatie, wenst u een herberekening uit te laten voeren of heeft u vragen over een ander familierechtelijk gerelateerd onderwerp? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen via info@boevefamilierecht.nl of 026 – 382 31 14.

Stiefouderadoptie, waar moet aan worden voldaan?

Van een samengesteld gezin kijken tegenwoordig weinig mensen meer op. Het toenemende aantal samengestelde gezinnen maakt dat er ook steeds meer aandacht komt voor de rol en positie van de stiefouder. In sommige gevallen kan er de wens ontstaan om de band tussen de stiefouder en het stiefkind te formaliseren. Als u als stiefouder een juridische band met uw stiefkind wil bewerkstelligen, kan er een verzoek tot stiefouderadoptie bij de rechtbank worden ingediend. Dit wordt ook wel partneradoptie of eenouderadoptie genoemd. Om een dergelijk verzoek in te dienen bij de rechtbank, dient u wel eerst aan enkele voorwaarden te voldoen.

Voorwaarden
• De stiefouder heeft voorafgaand aan het verzoek gedurende tenminste drie jaar met de ouder van het kind samengewoond;
• De stiefouder en de ouder van het kind hebben gedurende tenminste één jaar samen voor het kind gezorgd;
• De partner van de stiefouder heeft het eenhoofdig gezag over het kind;
• De andere biologische ouder van het kind spreekt het verzoek niet tegen.

Samenwonen met uw partner
Een van de voorwaarden voor stiefouderadoptie is dat u voorafgaand aan het verzoek tenminste drie jaar heeft samengewoond met de ouder van het kind. Uit de jurisprudentie over dit onderwerp blijkt dat dit echter geen hard vereiste is. Zo kan het voorkomen dat u feitelijk wel heeft samengewoond, maar dat u en uw partner niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven. De achterliggende gedachte van de samenlevingstermijn is, dat er kan worden aangetoond dat u en uw partner een stabiele relatie hebben. Voldoen u en uw partner niet aan de termijn van drie jaar, dan kan de adoptie alsnog worden uitgesproken indien de adoptie in het belang van het kind wordt geacht.

Het gezag over het kind
De wet vereist dat de partner van de stiefouder eenhoofdig gezag heeft. Soms komt het voor dat de ouder het gezamenlijk gezag uitoefent met de andere ouder van het kind. In dat geval dient dit gezamenlijk gezag dus eerst te worden beëindigd. Zo’n verzoek kan gelijktijdig met het verzoek tot stiefouderadoptie bij de rechtbank worden ingediend. Wel kent dit verzoek eigen toetsingscriteria en kan de rechter pas aan het verzoek tot stiefouderadoptie toekomen, als eerst het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt toegekend. Wordt vervolgens ook het verzoek tot stiefouderadoptie toegekend, dan wordt de stiefouder door de adoptie van rechtswege gezamenlijk met de ouder met het gezag over het kind belast. Het ouderlijk gezag houdt in dat een ouder mag beslissen over de verzorging en opvoeding van het kind en als wettelijke vertegenwoordiger kan optreden.

Tegenspraak ouder
Zoals gezegd vereist de wet dat de andere ouder het verzoek tot stiefouderadoptie niet mag tegenspreken. Met de andere ouder wordt bedoeld de ouder die ook juridisch de ouder van het kind is. Deze ouder heeft de mogelijkheid om verweer te voeren in de procedure tot stiefouderadoptie. Indien de andere ouder het verzoek tegenspreekt, kan de adoptie in beginsel niet worden uitgesproken. In sommige gevallen bestaat er de mogelijkheid om hieraan voorbij te gaan. Dit kan echter niet zomaar en de rechter is hierbij gebonden aan de wet. Aan de tegenspraak van de andere ouder kan worden voorbijgegaan als het kind en de betreffende ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd, danwel indien de betreffende ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind heeft verwaarloosd. Eveneens kan aan de tegenspraak voorbij worden gegaan als de betreffende ouder is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf tegen het kind.

Het minderjarige kind
Adoptie is enkel mogelijk als het kind nog minderjarig is. Indien het kind twaalf jaar of ouder is, is vereist dat het kind zelf ook instemt met de adoptie. Is het kind jonger dan twaalf, maar wordt het kind geacht zelfstandig zijn of haar mening te kunnen vormen, dan kan het kind door de rechter worden gehoord omtrent het verzoek.

In alle gevallen zal de rechtbank toetsen of de adoptie in het belang van het kind wordt geacht. Ook moet de rechter kunnen vaststellen dat het kind nu en in de toekomst niets meer van zijn of haar andere ouder in diens hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Voorts moet er een leeftijdsverschil van minimaal achttien jaar zijn tussen de stiefouder en het kind en mag het kind geen kleinkind van de adoptant zijn.

Gevolgen van de adoptie
De adoptie van het kind heeft tot gevolg dat er een familierechtelijke betrekking ontstaat tussen de adoptant en het kind. De adoptant wordt hiermee juridisch ouder van het kind. Zoals gezegd krijgt de stiefouder ook van rechtswege het ouderlijk gezag over het kind. Ter gelegenheid van de adoptie kunnen de stiefouder en de ouder van het kind er samen voor kiezen om de geslachtsnaam van het kind te wijzigen in de geslachtsnaam van de stiefouder. Daarnaast wordt het kind na de adoptie erfgenaam van de adoptant. Logischerwijs brengt de adoptie ook een aantal plichten met zich. Zo wordt de stiefouder bijvoorbeeld ook onderhoudsplichtig voor het kind.

Gezamenlijk gezag stiefouder en ouder
Soms komt het voor dat niet is voldaan aan de vereisten voor stiefouderadoptie en dat het verzoek dus niet kan worden toegewezen. In die gevallen kan ook worden gedacht aan het aanvragen van gezamenlijk gezag door de stiefouder samen met de ouder van het kind. Daarmee ontstaat er geen familierechtelijke betrekking en dus ook geen juridische band tussen de stiefouder en het stiefkind, maar kan de stiefouder voortaan wel samen met de andere ouder het gezag over het kind uitoefenen. Ook in dat geval kan ervoor worden gekozen om de geslachtsnaam van het kind te wijzigen in de geslachtsnaam van de stiefouder.

Heeft u de wens om uw stiefkind te adopteren? Of verkeert u juist in de positie dat u een verzoek tot stiefouder als ‘andere ouder’ wenst tegen te spreken? De advocaten van Boeve Familierecht hebben de nodige ervaring met beide situaties. Schroom dan ook niet om contact met ons op te nemen als u vragen heeft. U kunt ons bereiken via info@boevefamilierecht.nl of via 026-3823114.

Vervangende toestemming vakantie

De zomervakantie komt er weer aan. Dit brengt voor gescheiden ouders soms moeilijkheden met zich. Gescheiden ouders, die samen het gezag over hun minderjarige kinderen hebben, moeten namelijk toestemming geven aan de andere ouder, om samen met de kinderen naar het buitenland op vakantie te gaan. Maar wat gebeurt er als een van de ouders weigert toestemming te geven?

In zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat het in het belang van een kind is om met zijn of haar ouder op vakantie te gaan. Maar, er zijn situaties denkbaar waarin er gerechtvaardigd geen toestemming verleend kan worden. Bijvoorbeeld wanneer een ouder niet in staat is om voor zijn of haar kind te zorgen, wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor kinderontvoering of wanneer een vakantie in strijd is met tussen ouders gemaakte afspraken over de zorgregeling. Ook kan het zijn dat een specifieke bestemming onveilig is.

Het is niet verstandig om zonder de toestemming van de weigerende ouder op vakantie te gaan. Dit is immers in strijd met de rechten en verplichtingen rondom het gezamenlijk gezag. Bovendien loopt een ouder zonder toestemming het risico om aangehouden te worden door de douane, die kan vragen om het toestemmingsformulier van de andere ouder. Als dit niet getoond kan worden, kan de douane de vertrekkende ouder met het kind weigeren om het land te verlaten. Mocht u er in onderling overleg met uw ex-partner niet uit komen, dan heeft u de mogelijkheid om de kwestie voor te leggen aan de rechter. U kan de rechter in zo’n geval om vervangende toestemming vragen.

Op het moment dat de ene ouder met een kind op vakantie wil gaan, maar de andere ouder weigert hiervoor toestemming te geven, dan kan de ouder die op vakantie wil gaan bij de rechter om vervangende toestemming vragen. Als de rechter zijn vervangende toestemming verleent, vervangt de uitspraak van de rechter de toestemming van de weigerende ouder. De ouder die op vakantie wil gaan, zal dan moeten aanvoeren waarom de geplande vakantie in het belang van het kind is. De ouder die de toestemming weigert, zal daartegenover moeten aanvoeren waarom een weigering gerechtvaardigd is. De rechter zal vervolgens een afweging van alle betrokken belangen maken.

Wanneer u als ouder samen met uw kind een vakantie wil plannen, dan is het raadzaam om dit zo vroeg mogelijk met de andere ouder te bespreken. Komt u er samen niet uit, dan bestaat er dus de mogelijkheid om aan de rechtbank vervangende toestemming te vragen voor de beoogde vakantie. In veel gevallen zal het kort geding hiervoor de geëigende procedure zijn, gelet op het spoedeisend belang bij een beslissing van de rechtbank. Indien er nog voldoende tijd is, kan het verzoek ook via een zogenaamde bodemprocedure worden gedaan.

De advocaten van Boeve Familierecht hebben veel ervaring met dergelijke procedures en staan u graag bij. Voor advies of vragen kunt u contact opnemen via info@boevefamilierecht.nl of via 026-3823114.

Indexeringspercentage alimentatie 2023

Vandaag is de beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming over het indexeringspercentage waarmee de alimentatiebedragen in 2023 worden verhoogd in de Staatscourant gepubliceerd. Blijkens de beschikking is dit percentage voor 2023 vastgesteld op 3,4%.

Met ingang van 1 januari 2023 worden uitkeringen voor levensonderhoud weer automatisch aangepast. Het percentage waarmee de alimentaties zullen worden verhoogd, is dus vastgesteld op 3,4%. Dit is alleen anders als in een concreet geval de wettelijke indexering is uitgesloten. Dit kunnen partijen zowel in onderling overleg bij overeenkomst hebben vastgelegd, of kan door de rechter zo in een eventuele uitspraak zijn bepaald.

Alimentatieplichtigen doen er goed aan om met ingang van de betaling voor januari 2023 het indexeringspercentage automatisch door te voeren en de gewijzigde bijdrage te gaan voldoen. Zo worden onnodige discussies voorkomen.

Heeft u vragen over de wettelijke indexering, alimentatie in algemene zin of een andere familierechtelijke kwestie? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen via info@boevefamilierecht.nl of 026 – 382 31 14.

 

Wetsvoorstel automatisch gezamenlijk gezag na erkenning aangenomen

In een eerdere blog schreven wij al dat automatisch gezag door erkenning een stapje dichterbij was. Recentelijk is hiervoor de spreekwoordelijke kogel door de kerk gegaan. Op 22 maart 2022 is het wetsvoorstel automatisch gezamenlijk gezag na erkenning aangenomen in de Eerste Kamer. Vanaf de datum waarop de nieuwe wetgeving in werking treedt, worden ouders (die niet een formele relatie met de andere ouder hebben) automatisch mede met het gezag belast wanneer zij hun (aanstaande) kind erkennen.

Erkenning houdt in dat er een juridische band ontstaat tussen een ouder en kind. Er ontstaat dan een familierechtelijke betrekking. Ouder en kind worden elkaars erfgenamen en een ouder krijgt een onderhoudsplicht totdat het kind 21 wordt. Gezag houdt in dat een ouder mag meebeslissen over de opvoeding van het kind en als wettelijk vertegenwoordiger mag optreden. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld het maken van de schoolkeuze, een paspoort aanvragen en medische beslissingen.

De moeder van een kind komt door de geboorte automatisch in een familierechtelijke betrekking tot het kind te staan. Zij krijgt ook automatisch gezag. Als de moeder niet is getrouwd/geen geregistreerd partnerschap is aangegaan, zal haar partner eerst het kind moeten erkennen (bij de gemeente), om juridisch als ouder aangemerkt te worden. Nu is het nog zo dat hierna dan apart nog het gezamenlijk gezag aangevraagd moet worden en dit moet worden aangetekend in het gezagsregister. Momenteel zijn het erkennen van het kind en het gezamenlijk gezag aanvragen dus twee losse handelingen.

Wanneer er wel erkenning heeft plaatsgevonden, maar het aantekenen van het gezamenlijk gezag achterwege is gebleven, kunnen er vervelende situaties ontstaan. Dit is veelal pas duidelijk nadat ouders uit elkaar zijn gegaan, of wanneer de moeder komt te overlijden. Doordat er geen sprake is van gezamenlijk gezag, heeft de andere ouder niet het recht gekregen om mee te beslissen. Dit zorgt voor veel (juridische) conflicten tussen ouders.

De nieuwe wet zorgt ervoor dat niet langer twee aparte handelingen nodig zijn. Voortaan zullen ouders die de erkenning voor de geboorte hebben geregeld, vanaf het moment van geboorte gezamenlijk met het gezag over het kind zijn belast. Wanneer de erkenning na de geboorte plaatsvindt, zal vanaf het moment van erkennen het gezag gezamenlijk worden uitgeoefend.

Uitzonderingen op de hoofdregel zijn als moeder geen toestemming geeft voor het erkennen van het kind en er aan de rechter vervangende toestemming voor erkenning moet worden gevraagd. Aan de rechter moet dan expliciet ook om het toekennen van het gezamenlijk gezag worden verzocht. De tweede uitzondering is dat ouders gezamenlijk kunnen besluiten dat na erkenning het gezag enkel bij de moeder komt te rusten.

Met deze wetswijziging sluit de wet beter aan bij de wensen en verwachtingen van het ouderschap. In plaats van de huidige “nee, tenzij” regeling, komt er een “ja, tenzij” regeling. De nieuwe hoofdregel houdt in dat na erkenning van het kind de ongehuwde partner automatisch het gezag verkrijgt.

Ook worden met deze wet belangrijke verbeteringen doorgevoerd; het onderscheid tussen ongehuwde en gehuwde partners wordt weggenomen en het belang van het kind wordt beter gewaarborgd. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de veranderende maatschappij. In de afgelopen jaren is het aantal kinderen die geboren worden buiten een formele relatie sterk toegenomen. In 1998 was dit nog maar 20% en in 2017 was dit al gestegen naar 47%.

Wanneer de wetswijziging precies zal intreden, is op dit moment nog onduidelijk. Maar dat de wijziging er komt, is zeker. Tot deze nieuwe regeling in werking is getreden, betekent dit wel dat de huidige regeling nog van toepassing is en dat het aanvragen van gezamenlijk gezag een aparte handeling is.

Heeft u vragen over dit onderwerp of bijvoorbeeld hulp nodig bij het aanvragen van gezamenlijk gezag? Schroom dan niet om contact op te nemen met de advocaten van Boeve Familierecht. U kunt ons bereiken via 026 – 3823114 of info@boevefamilierecht.nl.

Verplicht meewerken aan een DNA-onderzoek, kan dat?

Niet altijd is even duidelijk wie de biologische vader van een kind is. Soms is het de moeder die de beweerdelijke vader in een procedure betrekt, terwijl de man ontkent de verwekker van het kind te zijn. In andere gevallen is het juist de man die beweert de vader van het kind te zijn, maar wordt dit door de moeder betwist. Ook kan het zo zijn dat het kind zelf op latere leeftijd op zoek gaat naar zijn of haar biologische vader. In al dit soort procedures kan het afnemen van een DNA-test aan de orde komen. Lange tijd was onduidelijk of de vermoedelijke biologische vader verplicht is om daar aan mee te werken. De Hoge Raad heeft hier recent duidelijkheid over gegeven.

Het arrest van de Hoge Raad

In de betreffende zaak die voorlag aan de Hoge Raad, ging het om een kind dat een procedure was gestart waarin werd gevorderd dat de man van wie hij dacht dat het zijn biologische vader was, zou worden veroordeeld om mee te werken aan het uitvoeren van een DNA-onderzoek. In eerste aanleg had de rechtbank het verzoek van het kind toegewezen, maar het hof vernietigde deze beslissing en wees het verzoek alsnog af. Vervolgens was het aan de Hoge Raad om duidelijkheid te verschaffen.

In zijn arrest van 11 maart 2022[1] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat het fundamentele recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming, prevaleert boven de fundamentele rechten van de vermoedelijke biologische vader en dat hier slechts in uitzonderlijke omstandigheden van kan worden afgeweken.

Bij een dergelijke casus gaat het om grondrechtelijke belangen van enerzijds het kind en anderzijds de man die tegen elkaar afgewogen moeten worden. De Hoge Raad overweegt dat het recht van het kind op informatie over de eigen (biologische) afstamming een fundamenteel recht is dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, zoals artikel 8 van het EVRM, als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven. De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt juist toe naarmate een persoon ouder wordt, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat tegenover dit recht van het kind om te weten van wie hij of zij afstamt, het recht staat van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden, alsmede het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Die rechten zijn eveneens fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door art. 8 van het EVRM. Wanneer deze twee rechten met elkaar botsen, moet volgens de rechtspraak van het EHRM door middel van een belangenafweging worden vastgesteld welk recht voorrang heeft.

De Hoge Raad komt hierna tot de conclusie dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. Volgens de Hoge Raad is het laten doen van een DNA-onderzoek een relatief geringe inbreuk op de lichamelijke integriteit van de vermoedelijke biologische vader en wordt deze inbreuk in dit geval gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is.

Toepassing in de praktijk

Inmiddels is in de lagere rechtspraak al eens verwezen naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad. In een zaak die recentelijk speelde bij de rechtbank Rotterdam[2], ging het om de moeder van het kind, die een procedure was gestart tot het vaststellen van het vaderschap van de vermoedelijke biologische vader. De vader in kwestie ontkende echter de biologische vader van het kind te zijn en weigerde zijn medewerking aan een DNA-test. Desondanks gelastte de rechtbank een DNA-onderzoek. Voor de motivatie daarvan verwees de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad. Volgens de rechtbank weegt het belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is, zwaarder dan de inbreuk van een DNA-onderzoek, dat alleen bestaat uit het afnemen van wangslijmvlies met een wattenstaaf, op de lichamelijke integriteit van de man, zodat dit onderzoek gerechtvaardigd is. Vervolgens merkt de rechtbank nog op dat partijen wettelijk verplicht zijn om hun medewerking te verlenen aan de uitvoering van het DNA-onderzoek. Wanneer een van de partijen zich hieraan onttrekt, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Overigens zijn er ook uitspraken bekend waarin medewerking aan het DNA-onderzoek wordt gelast op straffe van een dwangsom of zelfs op straffe van lijfsdwang, om er zo voor te zorgen dat het DNA-onderzoek daadwerkelijk kan worden uitgevoerd.

Tot slot

Heeft u een vraag over het laten uitvoeren van een DNA-onderzoek? Of is er een andere familierechtelijke kwestie waar u hulp bij kunt gebruiken? U kunt altijd vrijblijvend contact met ons opnemen. Wij zijn te bereiken op 026 – 3823114 of via info@boevefamilierecht.nl.

[1] Hoge Raad 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:349.

[2] Rechtbank Rotterdam, 15 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2852.

Indexeringspercentage alimentatie 2022

Het nieuwe indexeringspercentage voor alimentatie is weer bekend. Per 1 januari 2022 worden de alimentatiebedragen met 1,9% verhoogd, tenzij partijen in onderling overleg de wettelijke indexering hebben uitgesloten. Wij raden de alimentatieplichtigen aan om de alimentatie met ingang van 1 januari direct uit eigen beweging te verhogen. Op de website van het LBIO staat een handige tool om de hoogte van de alimentatie na indexering te berekenen. Vragen over de indexatie of een ander onderwerp? Neem dan gerust contact met ons op! Wij zijn bereikbaar op telefoonnummer 026 – 382 31 14 of via e-mailadres info@boevefamilierecht.nl. 

10 september 2021 – Dag van de Scheiding

Zoals gebruikelijk wordt ook dit jaar door de Vereniging van Familierechtadvocaten en Scheidingsmediators (vFAS) de Dag van de Scheiding georganiseerd. Dit jaar vindt deze dag plaats op vrijdag 10 september 2021. De dag heeft als doel om aandacht te vragen voor de noodzaak van het inschakelen van een gespecialiseerde familierechtadvocaat bij vragen over een echtscheiding en aanverwante zaken.

De advocaten van Boeve Familierecht staan het hele jaar door klaar om vragen te beantwoorden en advies te verstrekken over al hetgeen dat komt kijken bij een (echt)scheiding. Op de Dag van de Scheiding willen we dit nog laagdrempeliger maken. Daarom openen wij op vrijdag 10 september a.s. onze deuren voor een vrijblijvend en gratis kennismakingsgesprek. Tijdens dit gesprek zullen wij informatie geven over het scheidingsproces en alle mogelijke vragen beantwoorden. In verband met het coronavirus vragen wij u ook dit jaar om van tevoren wel een afspraak te maken. Dit kan via info@boevefamilierecht.nl of 026 – 3823114.

Pilot deelgeschillen in familierechtzaken bij de Rechtbank Gelderland

Sinds enkele maanden loopt bij de Rechtbank Gelderland het project van de deelgeschillenrechter in familiezaken. De bedoeling hiervan is dat partijen die in onderhandeling zijn één relatief eenvoudig onderwerp – waardoor het niet mogelijk is een algehele oplossing te bereiken – samen aan de deelgeschillenrechter kunnen voorleggen.

De pilot is bedoeld voor stellen (zowel gehuwd, geregistreerd partner als samenwonend) die in overleg zijn over de gevolgen van de verbreking van hun relatie of over een geschil dat na het verbreken van de relatie is ontstaan. Voorwaarde is dat zij bezig zijn om dit geschil op te lossen onder begeleiding van één of meer advocaten, een MfN-mediator of een notaris. Lukt het niet om op alle onderwerpen overeenstemming te bereiken en staat één relatief eenvoudig onderwerp daar aan in de weg, dan bestaat er dus de mogelijkheid om alleen dit ‘deelgeschil’ aan de deelgeschillenrechter voor te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat er op alle punten met betrekking tot de echtscheiding overeenstemming is bereikt, maar het alleen niet lukt om het eens te worden over de hoogte van de partneralimentatie.

De deelgeschillenrechter behandelt de zaak in principe binnen twee weken nadat het verzoek is binnengekomen. Deze behandeling wijkt af van een reguliere zitting bij de rechtbank. Het is namelijk niet toegestaan om tijdens de behandeling te pleiten en ook is het noodzakelijk dat partijen zelf allebei bij de behandeling aanwezig zijn. Het is dus niet toegestaan dat partijen alleen een gemachtigde sturen, zonder dat zij zelf fysiek aanwezig zijn. Uiteraard is het wel toegestaan om samen met een gemachtigde (zoals een advocaat) aanwezig te zijn.

Tijdens de behandeling probeert de deelgeschillenrechter alsnog samen met partijen overeenstemming te bereiken. Lukt dat niet, dan zal de deelgeschillenrechter een beslissing nemen. De bedoeling is dat deze beslissing binnen een week na de zitting volgt. Partijen kunnen vervolgens verder met hun onderhandelingen en op die manier alsnog een totaaloplossing bereiken.

Voor een dergelijk deelgeschil wordt een gereduceerd tarief aan griffierecht in rekening gebracht. Voor 2021 is het griffierecht op 85 euro vastgesteld, waarvan iedere partijen de helft dient te voldoen. Er kan dus op relatief snelle en goedkope wijze om een beslissing worden gevraagd.

Het deelgeschillentraject kan alleen worden gevolgd als beide partijen hiervoor openstaan en er een gezamenlijk verzoek wordt gedaan. Het traject kan vervolgens ook alleen op verzoek van beide partijen worden ingetrokken. Een laatste voorwaarde is dat er verder geen procedures bij de rechtbank mogen lopen.

De advocaten van Boeve Familierecht zijn zeer positief over deze pilot. Wilt u weten of deze pilot ook iets voor u kan zijn of heeft u een ander familierechtelijk geschil? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen, wij staan u graag te woord. U kunt ons bereiken via info@boevefamilierecht.nl of 026 – 3823114.