Vervangende toestemming voor vaccinatie

Nog niet zo lang geleden was het wel of niet laten vaccineren van kinderen een ‘hot topic’. Het overgrote deel van de ouders laat hun kinderen deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma, maar er zijn ook ouders die dat niet doen en uit de praktijk blijkt dat dit steeds vaker onderwerp van gesprek is. Voor (gescheiden) ouders kan dit onderling een bron van conflict vormen. Op dit moment staat het coronavaccin op het punt om te worden uitgerold. Reden genoeg voor een nadere beschouwing van het juridische aspect met betrekking tot het wel of niet laten vaccineren van kinderen.

Het laten vaccineren van kinderen wordt gezien als een gezagsbeslissing in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Iedere ouder die met het gezag over een kind is belast, is dus bevoegd om hier een beslissing over te nemen. Wanneer ouders gezamenlijk het gezag over een kind hebben en het niet eens worden over deze kwestie, kunnen zij aan de rechter vragen om een beslissing te nemen over het geschil en vervangende toestemming te verlenen voor het laten vaccineren.

Met betrekking tot vaccinaties die onderdeel zijn van het rijksvaccinatieprogramma, zijn er al een aantal gevallen bekend waarbij de rechtbank hierover een beslissing heeft genomen. Bij dergelijke beslissingen staat het belang van het kind voorop. In de regel blijkt uit de jurisprudentie dat de rechters de vaccinaties van het rijksvaccinatieprogramma in het belang van het kind achten, omdat zij anders meer risico zouden lopen om een (gevaarlijke) ziekte op te lopen waartegen zij gevaccineerd hadden kunnen zijn. Om die reden wordt er doorgaans vervangende toestemming verleend voor het laten vaccineren van het betreffende kind.[1]

Het coronavaccin zal (voorlopig) echter niet worden opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma. Omdat dit een nieuw soort virus en dus nieuw soort vaccinatie is, is er op dit moment nog weinig duidelijkheid. Ook is dus nog onduidelijk of de rechtbanken voor dit vaccin in de toekomst ook vervangende toestemming zullen verlenen. Dit zal de jurisprudentie op dit gebied uiteindelijk moeten uitwijzen. Interessant daarbij is om te kijken naar eerdere jurisprudentie die is gewezen met betrekking tot vaccinatie voor de Mexicaanse Griep. In 2009 zijn er door diverse rechtbanken uitspraken gedaan over het verlenen van vervangende toestemming voor vaccinatie tegen de Mexicaanse Griep. In vrijwel alle gevallen werd deze toestemming niet verleend, omdat de rechters vonden dat de vaccinatie niet noodzakelijk was om ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind te voorkomen.[2] Natuurlijk is het Coronavirus niet hetzelfde als de Mexicaanse Griep, maar voor beide vaccinaties geldt wel dat zij niet zijn/worden opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma. Daarom is het wel interessant om naar de uitspraken rondom vaccinatie tegen de Mexicaanse Griep te kijken. Ten aanzien van het coronavaccin zal dus nog moeten blijken of rechters dit vaccin wél noodzakelijk vinden om ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind te voorkomen. Dit zal in iedere procedure opnieuw worden getoetst en daarbij zullen ook de concrete omstandigheden van het geval telkens een rol spelen.

Mocht het zo ver komen dat u een conflict krijgt over het wel of niet laten vaccineren van uw kind(eren), laat u dan goed voorlichten over de juridische mogelijkheden. Uiteraard kunt u altijd contact met ons opnemen voor meer informatie via 026-3823114 of info@boevefamilierecht.nl.

[1] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:4218) en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 januari 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:257)

[2] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Roermond van 26 november 2009 (ECLI:NL:RBROE:2009:BK5011) en de uitspraak van de Rechtbank Zutphen van 10 december 2009 (ECLI:NL:RBZUT:2009:BK7069).

Automatisch gezamenlijk gezag door erkenning een stapje dichterbij

Afgelopen maand heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel tot het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag door erkenning aangenomen. Als ook de Eerste Kamer dit wetsvoorstel aanneemt, betekent dit dat er een wetswijziging optreedt in het gezamenlijk gezag van ouders over hun kinderen.

Wat staat er in het wetsvoorstel?

Het wetsvoorstel regelt dat wanneer een kind wordt erkend, er automatisch ook gezamenlijk gezag ontstaat voor de moeder van het kind en degene die het kind heeft erkend. Op dit moment is dit nog niet het geval en zijn de erkenning van het kind en het aantekenen van het gezamenlijk gezag twee losse handelingen. De erkenning van het kind (waardoor de erkenner de juridisch ouder wordt) wordt geregeld bij de burgerlijke stand van de gemeente en het gezamenlijk gezag (waardoor er andere rechten en plichten richting het kind en de andere ouder ontstaan) ontstaat door aantekening daarvan in het gezagsregister bij de rechtbank. Voor beide handelingen is toestemming van de andere ouder nodig en als deze ontbreekt, kan dit via de rechtbank worden gevraagd.

Voor ouders die met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap hebben op het moment dat het kind wordt geboren, geldt wel dat de partner van de moeder automatisch juridisch ouder wordt en dat de ouders automatisch gezamenlijk met het gezag worden belast. Er worden echter steeds vaker kinderen geboren waarbij de ouders niet met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap hebben. In dat geval is het dus nog nodig dat het kind wordt erkend om twee juridische ouders te krijgen en moet het gezamenlijk gezag worden aangetekend in het gezagsregister. Als het wetsvoorstel in werking treedt, hoeft er alleen nog maar een erkenning bij de burgerlijke stand van de gemeente te worden geregeld en worden de ouders vervolgens daarna van rechtswege met het gezamenlijk gezag belast.

De uitzonderingen

Niet in alle gevallen betekent de erkenning dat er automatisch ook gezamenlijk gezag ontstaat. Een belangrijke uitzondering is aan de orde wanneer er door de rechtbank vervangende toestemming wordt verleend voor de erkenning. In dat geval verkrijgt deze ouder niet van rechtswege gezamenlijk het gezag over een kind. In die situatie zal dus tegelijkertijd met het verzoek om vervangende toestemming voor de erkenning, ook een verzoek tot gezamenlijk gezag bij de rechtbank moeten worden ingediend. Daarnaast kunnen de moeder van het kind en de erkenner er ook samen voor kiezen dat het gezag over het kind alleen bij de moeder blijft rusten.

Voorkomen van geschillen

Het doel van het wetsvoorstel is het voorkomen van geschillen in de toekomst. Nu ontstaan deze  geschillen bijvoorbeeld als de ouders van het kind uit elkaar gaan en blijkt dat een van de ouders niet is belast met het gezag over het kind. Wanneer deze ouder ook gezag wil krijgen en de andere ouder weigert om daar medewerking aan te verlenen, is een procedure bij de rechtbank onvermijdelijk. Ook kunnen er problemen ontstaan als de ouder die alleen het gezag over het kind heeft komt te overlijden. Er is dan sprake van een gezagsvacuüm, de situatie waarin er geen gezag over het kind is. Het vervelende daarbij is dat veel ouders niet weten dat voor het gezamenlijk gezag een afzonderlijke handeling nodig is en deze geschillen dus voorkomen hadden kunnen worden als de ouders het gezamenlijk gezag tijdens de relatie al hadden geregeld. Als het wetsvoorstel in werking treedt, is dat in de toekomst dus niet meer nodig.

Overgangsrecht

Het is nog afwachten wanneer het wetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt behandeld en of het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen. Vervolgens zal de wet ook nog in werking moeten treden. De wetswijziging zal dan van toepassing zijn op kinderen die na de inwerkingtreding van de wet worden geboren. In alle andere gevallen is het dus nog steeds noodzakelijk dat de ouders zowel de erkenning, als afzonderlijk het gezamenlijk gezag regelen.

Heeft u vragen over dit wetsvoorstel of nu al problemen met de erkenning of het gezamenlijk gezag? Wij beantwoorden uw vragen graag. Neem vrijblijvend contact met ons op via info@boevefamilierecht.nl of bel 026-3823114.

Het geregistreerd partnerschap: hoe en wat?

Al een aantal jaren wint het geregistreerd partnerschap in Nederland aan populariteit, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Oorspronkelijk werd deze formele relatievorm in 1998 ingevoerd voor paren van gelijk geslacht. Tegenwoordig zijn het vooral jongere stellen die voor het geregistreerd partnerschap kiezen, zo blijkt uit diezelfde cijfers.

Vaak wordt het geregistreerd partnerschap verward met een samenlevingscontract. Dit zijn echter twee verschillende dingen. Het samenlevingscontract komt niet in de wet voor. Het is doorgaans een notariële akte of overeenkomst waarin samenwoners afspraken met elkaar kunnen maken over bijvoorbeeld de kosten van de huishouding en de gezamenlijke woning. Voor het beëindigen van het samenlevingscontract is ook geen rechterlijke uitspraak vereist. Vaak is in het samenlevingscontract zelf geregeld hoe dit kan worden opgezegd.

Het geregistreerd partnerschap daarentegen is wel in de wet geregeld en is om die reden ook een stuk minder vrijblijvend. Een verschil is bijvoorbeeld dat het geregistreerd partnerschap bij de burgerlijke stand van de gemeente moet worden aangegaan, net zoals een huwelijk. Daarnaast zijn de gevolgen van een geregistreerd partnerschap (grotendeels) gelijkgesteld aan de gevolgen van een huwelijk. Zo ontstaat er na het sluiten van een geregistreerd partnerschap bijvoorbeeld een (beperkte) gemeenschap van goederen[1] (tenzij er partnerschapsvoorwaarden worden opgesteld waarbij daarvan wordt afgeweken), ontstaat er recht op partneralimentatie na het beëindigen van het geregistreerd partnerschap en heeft het geregistreerd partnerschap ook automatisch gevolgen voor de afstamming en het ouderlijk gezag ten aanzien van kinderen die tijdens het geregistreerd partnerschap worden geboren.  De partner van de moeder uit wie het kind wordt geboren, wordt van rechtswege de juridisch ouder van het kind en voor beide ouders ontstaat automatisch gezamenlijk gezag.

De ontbinding van het geregistreerd partnerschap vertoont grote gelijkenissen met de echtscheidingsprocedure, maar er zijn ook verschillen. Waar er bij een echtscheidingsprocedure namelijk altijd een uitspraak van de rechter nodig is, bestaat er in sommige gevallen bij een geregistreerd partnerschap ook de mogelijkheid om dit zonder tussenkomst van de rechter te beëindigen. Dit is het geval als er geen minderjarige kinderen zijn betrokken en beide partners het over de beëindiging eens zijn. De beëindiging van het geregistreerd partnerschap kan dan met wederzijds goedvinden worden ingeschreven bij de burgerlijke stand. Wel moet daarvoor een verklaring worden opgesteld die door minimaal één advocaat of notaris en beide partners is ondertekend. Zijn er wel minderjarige kinderen betrokken, dan moet er een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap bij de rechtbank worden ingediend. Dit kan zowel een eenzijdig verzoek van één van de partners zijn, als een gezamenlijk verzoek. Het verzoek dient echter altijd door een advocaat te worden ingediend. De procedure die dan bij de rechtbank moet worden doorlopen, werkt hetzelfde als de echtscheidingsprocedure.

In alle gevallen is het raadzaam om bij het verbreken van een relatie deskundig advies in te winnen, of het nu gaat om het beëindigen van een samenlevingscontract, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Ook als het lijkt alsof tussen de partners overal overeenstemming over bestaat, kan dergelijk advies geen kwaad. Niets is namelijk zo vervelend als gemaakte afspraken die later toch niet helemaal aan alle verwachtingen blijken te voldoen. De advocaten van Boeve Familierecht staan graag voor u klaar om u te informeren. Neem gerust vrijblijvend contact met ons op via info@boevefamilierecht.nl of 026-3823114.

 

[1] Sinds 1 januari 2018 is dit de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen.

Indexeringspercentage alimentatie 2021 bekend

Vorige week heeft de overheid het nieuwe indexeringspercentage voor alimentatieverplichtingen bekend gemaakt. Per 1 januari 2021 stijgen de alimentatiebedragen met 3%. Op basis van de wet geldt dit indexeringspercentage voor alle alimentatieverplichtingen, tenzij partijen de wettelijke indexering contractueel hebben uitgesloten.

Het indexeringspercentage wordt jaarlijks bepaald door de minister van justitie en hangt af van de loonstijgingen. Alimentatieplichtigen doen er goed aan om de indexering uit eigen beweging per 1 januari door te voeren. Wordt dit nagelaten, dan kan de alimentatiegerechtigde hem of haar daar op aanspreken.

Vragen over dit onderwerp of een ander onderwerp? Neem gerust contact met ons op via 026-3823114 of info@boevefamilierecht.nl.

Vijf veelgehoorde fabels binnen het familierecht

Zoals binnen ieder vakgebied, bestaan er ook binnen het familierecht een hoop misverstanden en fabels. In een poging een deel daarvan voor eens en altijd naar het rijk der fabelen te verwijzen, kaarten wij een aantal van deze veelgehoorde fabels aan in deze blog.

#1 Als een kind 12 is, mag het kind zelf kiezen

We trappen af met de meest gehoorde fabel: wanneer een kind de leeftijd van 12 jaar heeft, mag het zelf kiezen. Meestal gaat het dan om de vraag bij welke ouder het kind gaat wonen of hoe vaak het bij de andere ouder is. Het is absoluut niet zo dat een kind dit vanaf 12 jaar zelf zou mogen beslissen. Tot het kind 18 jaar is, staat het onder gezag van een of beide ouder(s). De ouders blijven dus tot aan de 18e verjaardag van het kind bevoegd om beslissingen over het kind te nemen. Komen zij er samen niet uit, dan is het aan de rechter om daar een knoop over door te hakken. Daarbij wordt het belang van het kind voorop gesteld. Vanaf het moment dat het kind 12 jaar is, wordt het door de rechter uitgenodigd om zijn mening kenbaar te maken over geschilpunten zoals de zorgregeling, hoofdverblijfplaats, verhuizingen en andere gezagskwesties. In alimentatiezaken worden kinderen vanaf 16 jaar uitgenodigd om met de rechter te komen praten. De mening van het kind zal zeker worden meegewogen, maar het is nog altijd de rechter die de beslissing maakt en niet het kind zelf.

#2 Bij co-ouderschap hoef ik geen kinderalimentatie te betalen

Vooropgesteld is de term co-ouderschap geen term die door de wetgever wordt gebruikt. Over het algemeen wordt daaronder verstaan dat beide ouders een (nagenoeg) gelijk aandeel hebben in de verzorging van de kinderen en de kinderen ongeveer evenveel tijd bij beide ouders doorbrengen. Vaak denken ouders dat er in zo’n geval geen kinderalimentatie betaald hoeft te worden, maar dit is onjuist. Naast de dagelijkse kosten van het kind die aan het verblijf zijn gerelateerd, zijn er namelijk ook nog kosten die het verblijf van de kinderen overstijgen. Denk bijvoorbeeld aan een fiets of een laptop. Ook die kosten moeten worden gedragen. Daarnaast dienen ouders naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de kosten van de kinderen. Als de ene ouder dus een stuk minder verdient dan de andere ouder, kan het ook zijn dat een bijdrage van de andere ouder nodig is om de verblijfskosten van de kinderen te kunnen bekostigen. In alle gevallen dient dus een alimentatieberekening te worden gemaakt, om te bezien of er over en weer nog enig bedrag aan kinderalimentatie moet worden betaald. Het is raadzaam een dergelijke berekening door een gespecialiseerde familierechtadvocaat te laten maken.

#3 Wij hebben een samenlevingscontract, dus een geregistreerd partnerschap

Vaak horen we dat mensen denken dat ze een geregistreerd partnerschap hebben, omdat ze bij de notaris een samenlevingscontract hebben gesloten. Dit is echter niet hetzelfde. Een samenlevingscontract is een manier om afspraken vast te leggen met betrekking tot een ‘vrijblijvende’ vorm van samenleven. Hierover is niets in de wet geregeld. Het geregistreerd partnerschap daarentegen is wel wettelijk geregeld en wordt aangegaan door middel van een akte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Een geregistreerd partnerschap brengt dezelfde rechten en verplichtingen met zich mee als het huwelijk. Zo ontstaat er – mits er geen andere afspraken worden gemaakt – een (beperkte) gemeenschap van goederen, bestaat er recht op partneralimentatie na beëindiging van het geregistreerd partnerschap en moet in dat geval in beginsel ook het pensioen worden gedeeld. Dit alles geldt niet in het geval er enkel sprake is van een samenlevingscontract.

#4 Wij wonen niet meer samen, dus zijn gescheiden van tafel en bed

Sinds het begin van deze eeuw staat niet meer in de wet dat mensen die met elkaar gehuwd zijn, ook verplicht met elkaar onder één dak moeten wonen. Stellen die met elkaar trouwen mogen dus allebei in hun eigen woning blijven wonen en ook is het toegestaan om gedurende het huwelijk later weer apart te gaan wonen. Dit laatste heeft juridisch geen gevolgen[1] en betekent niet automatisch dat je bent gescheiden van tafel en bed.  Aan een scheiding van tafel en bed gaat namelijk eerst een gerechtelijke procedure vooraf en dit vereist een uitspraak van de rechtbank. Na de scheiding van tafel en bed blijft het huwelijk in stand. De scheiding van tafel en bed werd in het verleden nogal eens gebruikt als alternatief voor mensen die vanuit religieuze overwegingen niet van echt wilden scheiden. Tegenwoordig komt de scheiding van tafel en bed nauwelijks meer voor.

#5 De echtelijke woning was voor het huwelijk al van mij (of mijn partner) en blijft dus na de scheiding van mij (of mijn partner)

Op de vraag wie na de scheiding eigenaar van de echtelijke woning is, valt geen eenduidig antwoord te geven. Relevant is namelijk of er huwelijkse voorwaarden zijn opgesteld of niet, en tegenwoordig is ook nog relevant wanneer het huwelijk is gesloten, aangezien we sinds 2018 te maken hebben met de beperkte gemeenschap van goederen. Voor stellen die voor 2018 in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, geldt dat de woning in de gemeenschap is gevallen en dus gezamenlijk eigendom van beide echtgenoten is geworden. Dit geldt ook als de woning voorafgaand aan het huwelijk door slechts een van de twee is gekocht en de woning dus op naam van een van partijen stond. Na de echtscheiding zal de woning daarom moeten worden verdeeld. Zijn er huwelijkse voorwaarden opgesteld, dan hangt het eigendom van de woning af van de concrete inhoud van de huwelijkse voorwaarden. Sinds 2018 geldt de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Dit houdt in dat alle bezittingen en schulden die voorafgaand aan het huwelijk niet gezamenlijk waren, ook na het huwelijk niet gezamenlijk worden. In dat geval blijft de woning die voorafgaand aan het huwelijk privé eigendom was van een van beide echtgenoten, dus ook na het huwelijk privé eigendom.

[1] Mogelijk wel fiscaal, dus laat je hierover goed voorlichten!

11 september 2020 – Dag van de Scheiding

Omdat een steeds groter deel van de huwelijken en relaties eindigt in een (echt)scheiding, is het van groot belang hier aandacht voor te vragen en te benadrukken dat deskundige begeleiding hierbij van toegevoegde waarde is. Daarom wordt ieder jaar door de Vereniging van Familierechtadvocaten en Scheidingsmediators (vFAS) de Dag van de Scheiding georganiseerd. Dit jaar vindt deze dag plaats op vrijdag 11 september 2020.

Ook bij Boeve Familierecht staat deskundige begeleiding hoog in het vaandel. Al onze advocaten zijn gespecialiseerd in het Familierecht en zijn altijd op de hoogte van de meest recente ontwikkelingen. Het is daarnaast ons doel om het proces rondom de scheiding zo zorgvuldig en soepel mogelijk te laten verlopen, zodat ex-partners hun huwelijk of relatie uiteindelijk met een goed gevoel kunnen afsluiten. Wij vinden het van groot belang om informatie te verstrekken over alles wat bij een scheiding komt kijken. Gedurende het jaar doen wij dit door het schrijven van blogs op onze website en op de Dag van de Scheiding staan we hier nog eens extra bij stil.

Op 11 september a.s. openen wij daarom onze deuren voor een vrijblijvend en gratis kennismakingsgesprek, waarbij wij informatie zullen geven over het echtscheidingsproces en al uw vragen hieromtrent zullen beantwoorden. In verband met het coronavirus vragen wij u dit jaar wel om voorafgaand een afspraak te maken. Dit kan via info@boevefamilierecht.nl of 026 – 3823114. Indien u de voorkeur geeft aan een kennismakingsgesprek via Microsoft Teams of Zoom, kan dit natuurlijk ook.

Onze advocaten staan graag voor u klaar!

Een (echt)scheiding, hoe zit dat precies?

In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen mensen die gehuwd zijn en mensen die dat niet zijn (zogenaamde samenlevers). Voor mensen die alleen met elkaar samen leven, zijn er voor het uit elkaar gaan niet per definitie juridische stappen nodig. Het uit elkaar gaan is meer een feitelijke aangelegenheid. Als er een samenlevingscontract is, moet alleen dit contract formeel worden opgezegd. Bij mensen die zijn gehuwd ligt dat anders. In dat geval is er altijd een uitspraak van de rechtbank nodig om het huwelijk te beëindigen.

In beide gevallen is het raadzaam om goede afspraken met elkaar te maken. Immers, ook als u niet bent gehuwd kan er wel vermogen zijn dat verdeeld moet worden of zijn er wellicht minderjarige kinderen waar afspraken over moeten worden gemaakt. Voor de afspraken over de kinderen kan een ouderschapsplan worden opgesteld en voor de afspraken over de afwikkeling van de samenleving een convenant.

Dus ook als u gehuwd bent, is het de moeite waard om te proberen in onderling overleg goede afspraken te maken. De afspraken die in onderling overleg zijn gemaakt, zijn over het algemeen langer houdbaar en bieden meer draagvlak om in de toekomst nog op goede voet met elkaar verder te gaan. Vooral als er nog minderjarige kinderen zijn, is dit natuurlijk wenselijk. Evenals bij het verbreken van de samenleving, geldt dat bij een echtscheiding de gemaakte afspraken in een ouderschapsplan en convenant worden vastgelegd. Een advocaat moet dan nog wel formeel bij de rechtbank de echtscheiding aanvragen, maar er is geen inhoudelijke behandeling op een zitting nodig. De rechter zal het echtscheidingsverzoek toewijzen en de gemaakte afspraken aan de uitspraak hechten. Vervolgens wordt de uitspraak per post aan de advocaat toegestuurd, waarna de echtscheiding kan worden ingeschreven.

Om tot goede afspraken te komen, is het altijd aan te raden om deskundig advies in te winnen. Dit kan zowel bij een mediator, als bij een advocaat. Het is goed om te weten dat er ook advocaat-mediators zijn. Zij kunnen als mediator optreden en in geval van een huwelijk ook meteen het echtscheidingsverzoek namens beide partijen bij de rechtbank indienen. Mediation is echter alleen mogelijk als beide partijen daar voor openstaan en mee instemmen. In alle andere gevallen zal ieder voor zich een advocaat moeten inschakelen. Uiteraard zal ook in dat geval alsnog getracht worden om in onderling overleg tot een oplossing te komen.

Bij Boeve Familierecht is een aantal advocaten ook als mediator werkzaam. Wij hebben veel ervaring met het begeleiden van samenlevers die uit elkaar gaan of echtgenoten die willen scheiden. U kunt altijd vrijblijvend contact met ons opnemen om te bezien wat wij voor u kunnen betekenen, ook als u uiteindelijk niet voor mediation kiest. Wij zijn te bereiken op 026 – 3823114 of via info@boevefamilierecht.nl.

 

Vervangende toestemming vakantie ten tijde van het coronavirus

Indien sprake is van gezamenlijk gezag en een ouder met de kinderen naar het buitenland wil afreizen, heeft die ouder daarvoor toestemming nodig van de andere ouder. In veel gevallen is het raadzaam om hiervoor het door de overheid beschikbaar gestelde formulier in te vullen.[1] Bij een eventuele grenscontrole moet namelijk kunnen worden aangetoond dat de andere ouder toestemming heeft gegeven voor de reis. Het kan voorkomen dat ouders het niet eens worden over een voorgenomen vakantie en dat de andere ouder weigert om toestemming te verlenen. Dit wordt gezien als een gezagsgeschil, waarvoor vervangende toestemming aan de rechtbank kan worden gevraagd.

Ook voordat het coronavirus zijn intrede deed, werden er jaarlijks al veel van dit soort geschillen door de rechtbank beslecht. Het uitgangspunt daarbij is dat de rechter een beslissing neemt die in het belang van de kinderen wenselijk wordt geacht. Er zijn tal van bezwaren denkbaar die door de andere ouder tegen de voorgenomen vakantie kunnen worden ingebracht. Een aantal van deze bezwaren is terug te herleiden tot de vrees voor de veiligheid van het kind tijdens de vakantie, omdat de andere ouder van mening is dat er veiligheidsrisico’s gelden voor het beoogde vakantieland. Over het algemeen grijpt de rechter dan terug op het reisadvies dat de rijksoverheid heeft uitgebracht voor het beoogde vakantieland. Zolang er door de rijksoverheid geen negatief reisadvies is afgekondigd (en er ook geen andere bezwaren komen vast te staan), wordt er in de regel vervangende toestemming voor de vakantie verleend.

Het is goed denkbaar dat het coronavirus een nieuwe reden vormt voor discussie tussen de ouders over de wenselijkheid van een voorgenomen vakantie naar het buitenland. Ook vrees voor het coronavirus kan worden gezien als een bezwaar dat is terug te herleiden tot vrees voor de veiligheid van het kind gedurende de vakantie. Recentelijk is door de Rechtbank Rotterdam het eerste vonnis gepubliceerd waarin deze problematiek aan bod kwam.[2] Weliswaar werd in dit geval door de andere ouder geen specifiek beroep gedaan op bezwaren in verband met het coronavirus, maar de rechtbank heeft hier wel uit eigen beweging een overweging aan gewijd. De rechtbank nam in aanmerking dat op het moment dat het vonnis werd gewezen, door de overheid werd geadviseerd om alleen noodzakelijke reizen te maken naar het betreffende land (zogenaamd code oranje). Vervolgens oordeelde de rechtbank dat een vakantie niet valt aan te merken als een noodzakelijke reis. Mocht het reisadvies ten tijde van de reis weer zijn gewijzigd naar ‘geen veiligheidsrisico’s’ (zogenaamd code groen) of ‘let op, veiligheidsrisico’s’ (zogenaamd code geel), dan zag de rechtbank geen bezwaar tegen de voorgenomen vakantie. Er werd in deze zaak dus vervangende toestemming voor de vakantie verleend, tenzij het reisadvies van de overheid op het moment van de reis zou luiden om alleen noodzakelijke of helemaal geen reizen naar het betreffende land te maken.

In alle gevallen is het raadzaam om zo vroeg mogelijk met uw ex-partner in overleg te treden over een voorgenomen vakantie. Komt u er samen niet uit, dan bestaat er dus de mogelijkheid om aan de rechtbank vervangende toestemming te vragen voor de beoogde vakantie. In veel gevallen zal het kort geding hiervoor de geëigende procedure zijn, gelet op het spoedeisend belang bij een beslissing van de rechtbank. Ook een kort geding kost echter tijd en de ervaring leert dat ook een zitting in kort geding vanwege de huidige coronacrisis momenteel even op zich kan laten wachten. Het advies luidt dan ook om niet tot het laatste moment te wachten met de aanvraag van een procedure. De advocaten van Boeve Familierecht hebben veel ervaring met dergelijke procedures en staan u graag bij. Voor advies of vragen kunt u contact opnemen via info@boevefamilierecht.nl of via 026-3823114.

 

[1] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/formulieren/2014/02/06/formulier-toestemming-reizen-met-minderjarige-naar-het-buitenland

[2] Rechtbank Rotterdam, 31 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5035.

Partneralimentatie en samenwonen: twee recente uitspraken

Eerder schreven wij al eens een blog over artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek, waarin staat dat de partneralimentatieverplichting definitief eindigt als de ontvanger opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat of gaat samenwonen als ware hij of zij gehuwd. Vooral deze laatste situatie leidt in de praktijk tot veel discussie en is vaak moeilijk te bewijzen. Regelmatig wordt over dit thema een uitspraak gepubliceerd. In deze blog gaan wij nader in op een recente uitspraak van de rechtbank Overijssel en van het hof Arnhem-Leeuwarden.

Rechtbank Overijssel

De eerste uitspraak betreft een beschikking van de rechtbank Overijssel van 3 april 2020.[1] De (alimentatieplichtige) man verzocht in deze zaak aan de rechtbank (onder andere) om een verklaring voor recht dat zijn partneralimentatieverplichting op basis van artikel 1:160 BW was beëindigd, omdat sprake zou zijn van samenleven in de zin van dit artikel.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

De tweede uitspraak betreft een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2020.[2] Ook hier verzocht de (alimentatieplichtige) man (onder andere) om te bepalen dat zijn partneralimentatieverplichting jegens de vrouw was beëindigd op basis van artikel 1:160 BW, omdat sprake zou zijn van samenleving in de zin van dit artikel. In eerste aanleg was dit verzoek door de rechtbank afgewezen. Toevallig werd de vrouw in deze procedure bijgestaan door een collega van ons kantoor.

Vereisten voor een geslaagd beroep

In beide uitspraken komt naar voren dat voor een geslaagd beroep op het in artikel 1:160 BW genoemde “samenwonen als ware hij of zij gehuwd” is vereist dat sprake moet zijn van een duurzame affectieve relatie, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Aan al deze vereisten moet worden voldaan.

Het leveren van bewijs

Na vergelijking van beide uitspraken blijkt maar weer dat dergelijke zaken erg casuïstisch zijn en dat het verzoek staat of valt met het leveren van degelijk bewijs. In de uitspraak van de rechtbank Overijssel wordt het verzoek van de man namelijk toegewezen en in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is het verzoek van de man afgewezen.

Wat opvalt is dat in de procedure bij de rechtbank Overijssel gebruik is gemaakt van een detectivebureau die in de periode van ruim een maand rondom het huis van de vrouw heeft geobserveerd. De rechtbank heeft op basis van de observaties geconcludeerd dat sprake was van een feitelijke samenwoning van de vrouw en haar nieuwe partner. Ook droegen de observaties bij aan de uiteindelijke conclusie van de rechtbank dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging tussen de vrouw en haar nieuwe partner.

In de uitspraak bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de man zelf gedurende een periode van drie maanden observaties rondom de woning van de vrouw verricht. Het hof nam deze bevindingen echter niet over, omdat er door de vrouw te veel kanttekeningen bij deze observaties zijn gemaakt. Vervolgens overweegt het hof dat de man er verstandig aan had gedaan om een professioneel detectivebureau in te schakelen, zoals in de uitspraak bij de rechtbank Overijssel wel het geval was.

In beide zaken staat het bewijs van de observaties (ongeacht of deze observaties zijn verricht door een recherchebureau of de alimentatieplichtige zelf) niet op zichzelf. De rechter zal partijen allebei ook verdere vragen stellen en ook blijkt uit de uitspraken dat in beide zaken een getuigenverhoor heeft plaatsgevonden, om andere betrokkenen te laten verklaren over de situatie. Natuurlijk hebben in beide zaken ook de overige omstandigheden van het geval geleid tot het toewijzen respectievelijk afwijzen van het verzoek.

Gevolgen

Uit het bovenstaande blijkt dat het voor de alimentatieplichtige erg belangrijk is om goed bewijs te leveren ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van samenleving in de zin van artikel 1:160 BW. Vaak is het raadzaam om geduld te hebben en eerst de tijd te nemen om het bewijs rond te krijgen, alvorens de zaak op te starten. Onze advocaten kunnen u adviseren hoe u het bewijs het beste rond kunt krijgen en kunnen u eventueel ook in contact brengen met een recherchebureau.

Aan de andere zijde kleven er ook voor de alimentatieplichtige veel risico’s aan het verzwijgen van het samenleven met een nieuwe partner. Bij een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW vervalt de partneralimentatieverplichting namelijk met ingang van de datum waarop het samenleven van start is gegaan. Ook over dit aspect kunnen onze advocaten u van gedegen advies voorzien. In de zaak die voorlag aan de rechtbank Overijssel ging dit ruim anderhalf jaar terug en dient de vrouw de partneralimentatie die zij vanaf die periode nog van de man heeft ontvangen, in zijn geheel aan de man terug te betalen. Aangezien dit om een partneralimentatie van € 1.871 bruto per maand ging, heeft dit dus grote financiële consequenties.

Contact

Heeft u vragen over dit onderwerp of over een ander familierechtelijk geschil? Onze advocaten staan graag voor u klaar om deze te beantwoorden. U kunt vrijblijvend contact met ons opnemen via info@boevefamilierecht.nl of 026-3823114.

key-to-the-heart-2509695_960_720

[1] Rechtbank Overijssel, 03-04-2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1595.

[2] Hof Arnhem-Leeuwarden, 30-04-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3491.

Afkoop van partneralimentatie

Partneralimentatie is een terugkerend en actueel onderwerp in onze (echtscheidings-)praktijk. De meeste mensen weten dat een alimentatiegerechtigde kan vragen om een maandelijkse bijdrage in de kosten van het levensonderhoud. Wat niet iedereen weet, is dat er ook de mogelijkheid bestaat om de partneralimentatie (eenmalig) af te kopen via een afkoopsom.

Alleen in overleg

Wanneer er een verzoek om partneralimentatie aan de rechtbank of het gerechtshof wordt voorgelegd, dan zal de rechter een maandelijkse partneralimentatie vaststellen. Wanneer de (aanstaande) ex-echtgenoten in overleg zijn (dit kan zowel in mediation, maar ook ieder met een eigen advocaat), dan bestaat er de mogelijkheid om afspraken te maken over de afkoop van partneralimentatie. Afkoop is dus alleen aan de orde, als er (nog) niet wordt gevraagd om een beslissing van de rechter.

Wijziging van omstandigheden

Regelmatig komt het voor dat de partneralimentatie na de echtscheiding voor een flink aantal jaren betaald dient te worden. Uit de wet volgt dat wanneer er zich in de toekomst wijzigingen voordoen (bijvoorbeeld in het inkomen van een van de ex-echtgenoten), er kan worden gevraagd om een wijziging van de eerder vastgestelde partneralimentatie. Dit kan zorgen voor nieuwe discussies tussen ex-echtgenoten, jaren na de scheiding. Daar tegenover staat in de wet ook opgenomen dat de partneralimentatie onder omstandigheden eerder kan eindigen, bijvoorbeeld als de ontvanger opnieuw huwt of gaat samenwonen met een nieuwe partner.

Wat houdt afkoop in?

De reden dat mensen kiezen voor de afkoop van partneralimentatie, is omdat zij niet onnodig lang financieel verbonden willen zijn aan elkaar. Afkoop houdt in dat er eenmalig een bedrag wordt betaald ten titel van partneralimentatie, welke betrekking heeft op een langere (vaak totale) periode waarin partneralimentatie moet worden betaald. De wet stelt als voorwaarde dat de afkoopsom dient te worden betaald nádat de echtscheiding is ingeschreven. Het staat partijen vrij om hierover nadere afspraken te maken; bijvoorbeeld over de hoogte van het bedrag, op welke periode de afkoop betrekking heeft en ook of er in de toekomst op deze afspraak kan worden teruggekomen (met andere woorden: de mogelijkheid voor het wijzigen). U kunt ervan uitgaan dat een afkoopsom doorgaans definitief en onvoorwaardelijk is, maar uiteraard kunnen partijen hier samen afwijkende afspraken over maken. In de praktijk blijkt vaak dat er wordt gekozen voor een afkoopsom waarin rekening wordt gehouden met verschillende onzekere ontwikkelingen in de toekomst. Immers, er kan achteraf niet worden teruggekomen op de afgesproken afkoopsom, als blijkt dat er te veel of te weinig partneralimentatie is betaald. Ook wordt in de onderhandelingen over de afkoop van de partneralimentatie vaak de verdeling of verrekening van vermogen betrokken.

Fiscale gevolgen

Bij de afkoop wordt er dus een bedrag betaald, waarmee de toekomstige partneralimentatie wordt afgekocht. Partneralimentatie is voor de betaler fiscaal aftrekbaar. Voor de ontvanger wordt dit gezien als belastbaar inkomen. Daarom wordt partneralimentatie doorgaans als bruto bedrag vastgesteld; immers de aftrekbaarheid en belastbaarheid is afhankelijk van ieders financiële positie. Vanwege de fiscale aftrekbaarheid en belastbaarheid, heeft een afkoopsom grote fiscale gevolgen voor beide partijen. Het is daarom niet zonder meer mogelijk om de partneralimentatie te verrekenen met te verdelen of te verrekenen vermogen. Immers, de partneralimentatie is een brutobedrag en de verdeling of verrekening van vermogen, is een nettobedrag.

Laat u goed voorlichten

Het is belangrijk dat u zich goed laat adviseren over de mogelijkheid van de afkoop van partneralimentatie en de fiscale aspecten die hierbij spelen. Iedere situatie is uniek en de fiscale gevolgen zijn bij iedereen anders. Er is bijvoorbeeld een groot verschil of de afkoopsom wordt vastgelegd en ook ineens wordt betaald, of dat wordt afgesproken dat het bedrag over verschillende jaren wordt uitgekeerd, omdat dit fiscaal voordeliger kan zijn. Daarnaast is het een mogelijkheid om de afkoopsom niet ineens (of in delen) in geld uit te keren, maar onder te brengen bij een verzekeraar, die vervolgens zorgt voor uitkering van het bedrag aan de ontvanger. Het is zelfs mogelijk om de partneralimentatie netto af te kopen, wanneer partijen nog kunnen opteren voor fiscaal partnerschap en de afspraken op de juiste manier worden gemaakt en vastgelegd. Kortom: de afkoop van partneralimentatie is niet eenvoudig, maar kan wel bijdragen aan een spoedige afwikkeling van de echtscheiding. Laat u daarom goed voorlichten. Voor vragen over dit onderwerp of een andere kwestie, kunt u vrijblijvend contact met ons opnemen via 026-3823114 of info@boevefamilierecht.nl.Spaarvarken