Wetsvoorstel automatisch gezamenlijk gezag na erkenning aangenomen

In een eerdere blog schreven wij al dat automatisch gezag door erkenning een stapje dichterbij was. Recentelijk is hiervoor de spreekwoordelijke kogel door de kerk gegaan. Op 22 maart 2022 is het wetsvoorstel automatisch gezamenlijk gezag na erkenning aangenomen in de Eerste Kamer. Vanaf de datum waarop de nieuwe wetgeving in werking treedt, worden ouders (die niet een formele relatie met de andere ouder hebben) automatisch mede met het gezag belast wanneer zij hun (aanstaande) kind erkennen.

Erkenning houdt in dat er een juridische band ontstaat tussen een ouder en kind. Er ontstaat dan een familierechtelijke betrekking. Ouder en kind worden elkaars erfgenamen en een ouder krijgt een onderhoudsplicht totdat het kind 21 wordt. Gezag houdt in dat een ouder mag meebeslissen over de opvoeding van het kind en als wettelijk vertegenwoordiger mag optreden. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld het maken van de schoolkeuze, een paspoort aanvragen en medische beslissingen.

De moeder van een kind komt door de geboorte automatisch in een familierechtelijke betrekking tot het kind te staan. Zij krijgt ook automatisch gezag. Als de moeder niet is getrouwd/geen geregistreerd partnerschap is aangegaan, zal haar partner eerst het kind moeten erkennen (bij de gemeente), om juridisch als ouder aangemerkt te worden. Nu is het nog zo dat hierna dan apart nog het gezamenlijk gezag aangevraagd moet worden en dit moet worden aangetekend in het gezagsregister. Momenteel zijn het erkennen van het kind en het gezamenlijk gezag aanvragen dus twee losse handelingen.

Wanneer er wel erkenning heeft plaatsgevonden, maar het aantekenen van het gezamenlijk gezag achterwege is gebleven, kunnen er vervelende situaties ontstaan. Dit is veelal pas duidelijk nadat ouders uit elkaar zijn gegaan, of wanneer de moeder komt te overlijden. Doordat er geen sprake is van gezamenlijk gezag, heeft de andere ouder niet het recht gekregen om mee te beslissen. Dit zorgt voor veel (juridische) conflicten tussen ouders.

De nieuwe wet zorgt ervoor dat niet langer twee aparte handelingen nodig zijn. Voortaan zullen ouders die de erkenning voor de geboorte hebben geregeld, vanaf het moment van geboorte gezamenlijk met het gezag over het kind zijn belast. Wanneer de erkenning na de geboorte plaatsvindt, zal vanaf het moment van erkennen het gezag gezamenlijk worden uitgeoefend.

Uitzonderingen op de hoofdregel zijn als moeder geen toestemming geeft voor het erkennen van het kind en er aan de rechter vervangende toestemming voor erkenning moet worden gevraagd. Aan de rechter moet dan expliciet ook om het toekennen van het gezamenlijk gezag worden verzocht. De tweede uitzondering is dat ouders gezamenlijk kunnen besluiten dat na erkenning het gezag enkel bij de moeder komt te rusten.

Met deze wetswijziging sluit de wet beter aan bij de wensen en verwachtingen van het ouderschap. In plaats van de huidige “nee, tenzij” regeling, komt er een “ja, tenzij” regeling. De nieuwe hoofdregel houdt in dat na erkenning van het kind de ongehuwde partner automatisch het gezag verkrijgt.

Ook worden met deze wet belangrijke verbeteringen doorgevoerd; het onderscheid tussen ongehuwde en gehuwde partners wordt weggenomen en het belang van het kind wordt beter gewaarborgd. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de veranderende maatschappij. In de afgelopen jaren is het aantal kinderen die geboren worden buiten een formele relatie sterk toegenomen. In 1998 was dit nog maar 20% en in 2017 was dit al gestegen naar 47%.

Wanneer de wetswijziging precies zal intreden, is op dit moment nog onduidelijk. Maar dat de wijziging er komt, is zeker. Tot deze nieuwe regeling in werking is getreden, betekent dit wel dat de huidige regeling nog van toepassing is en dat het aanvragen van gezamenlijk gezag een aparte handeling is.

Heeft u vragen over dit onderwerp of bijvoorbeeld hulp nodig bij het aanvragen van gezamenlijk gezag? Schroom dan niet om contact op te nemen met de advocaten van Boeve Familierecht. U kunt ons bereiken via 026 – 3823114 of info@boevefamilierecht.nl.

Verplicht meewerken aan een DNA-onderzoek, kan dat?

Niet altijd is even duidelijk wie de biologische vader van een kind is. Soms is het de moeder die de beweerdelijke vader in een procedure betrekt, terwijl de man ontkent de verwekker van het kind te zijn. In andere gevallen is het juist de man die beweert de vader van het kind te zijn, maar wordt dit door de moeder betwist. Ook kan het zo zijn dat het kind zelf op latere leeftijd op zoek gaat naar zijn of haar biologische vader. In al dit soort procedures kan het afnemen van een DNA-test aan de orde komen. Lange tijd was onduidelijk of de vermoedelijke biologische vader verplicht is om daar aan mee te werken. De Hoge Raad heeft hier recent duidelijkheid over gegeven.

Het arrest van de Hoge Raad

In de betreffende zaak die voorlag aan de Hoge Raad, ging het om een kind dat een procedure was gestart waarin werd gevorderd dat de man van wie hij dacht dat het zijn biologische vader was, zou worden veroordeeld om mee te werken aan het uitvoeren van een DNA-onderzoek. In eerste aanleg had de rechtbank het verzoek van het kind toegewezen, maar het hof vernietigde deze beslissing en wees het verzoek alsnog af. Vervolgens was het aan de Hoge Raad om duidelijkheid te verschaffen.

In zijn arrest van 11 maart 2022[1] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat het fundamentele recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming, prevaleert boven de fundamentele rechten van de vermoedelijke biologische vader en dat hier slechts in uitzonderlijke omstandigheden van kan worden afgeweken.

Bij een dergelijke casus gaat het om grondrechtelijke belangen van enerzijds het kind en anderzijds de man die tegen elkaar afgewogen moeten worden. De Hoge Raad overweegt dat het recht van het kind op informatie over de eigen (biologische) afstamming een fundamenteel recht is dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, zoals artikel 8 van het EVRM, als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven. De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt juist toe naarmate een persoon ouder wordt, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat tegenover dit recht van het kind om te weten van wie hij of zij afstamt, het recht staat van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden, alsmede het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Die rechten zijn eveneens fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door art. 8 van het EVRM. Wanneer deze twee rechten met elkaar botsen, moet volgens de rechtspraak van het EHRM door middel van een belangenafweging worden vastgesteld welk recht voorrang heeft.

De Hoge Raad komt hierna tot de conclusie dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. Volgens de Hoge Raad is het laten doen van een DNA-onderzoek een relatief geringe inbreuk op de lichamelijke integriteit van de vermoedelijke biologische vader en wordt deze inbreuk in dit geval gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is.

Toepassing in de praktijk

Inmiddels is in de lagere rechtspraak al eens verwezen naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad. In een zaak die recentelijk speelde bij de rechtbank Rotterdam[2], ging het om de moeder van het kind, die een procedure was gestart tot het vaststellen van het vaderschap van de vermoedelijke biologische vader. De vader in kwestie ontkende echter de biologische vader van het kind te zijn en weigerde zijn medewerking aan een DNA-test. Desondanks gelastte de rechtbank een DNA-onderzoek. Voor de motivatie daarvan verwees de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad. Volgens de rechtbank weegt het belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is, zwaarder dan de inbreuk van een DNA-onderzoek, dat alleen bestaat uit het afnemen van wangslijmvlies met een wattenstaaf, op de lichamelijke integriteit van de man, zodat dit onderzoek gerechtvaardigd is. Vervolgens merkt de rechtbank nog op dat partijen wettelijk verplicht zijn om hun medewerking te verlenen aan de uitvoering van het DNA-onderzoek. Wanneer een van de partijen zich hieraan onttrekt, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Overigens zijn er ook uitspraken bekend waarin medewerking aan het DNA-onderzoek wordt gelast op straffe van een dwangsom of zelfs op straffe van lijfsdwang, om er zo voor te zorgen dat het DNA-onderzoek daadwerkelijk kan worden uitgevoerd.

Tot slot

Heeft u een vraag over het laten uitvoeren van een DNA-onderzoek? Of is er een andere familierechtelijke kwestie waar u hulp bij kunt gebruiken? U kunt altijd vrijblijvend contact met ons opnemen. Wij zijn te bereiken op 026 – 3823114 of via info@boevefamilierecht.nl.

[1] Hoge Raad 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:349.

[2] Rechtbank Rotterdam, 15 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2852.

Indexeringspercentage alimentatie 2022

Het nieuwe indexeringspercentage voor alimentatie is weer bekend. Per 1 januari 2022 worden de alimentatiebedragen met 1,9% verhoogd, tenzij partijen in onderling overleg de wettelijke indexering hebben uitgesloten. Wij raden de alimentatieplichtigen aan om de alimentatie met ingang van 1 januari direct uit eigen beweging te verhogen. Op de website van het LBIO staat een handige tool om de hoogte van de alimentatie na indexering te berekenen. Vragen over de indexatie of een ander onderwerp? Neem dan gerust contact met ons op! Wij zijn bereikbaar op telefoonnummer 026 – 382 31 14 of via e-mailadres info@boevefamilierecht.nl. 

10 september 2021 – Dag van de Scheiding

Zoals gebruikelijk wordt ook dit jaar door de Vereniging van Familierechtadvocaten en Scheidingsmediators (vFAS) de Dag van de Scheiding georganiseerd. Dit jaar vindt deze dag plaats op vrijdag 10 september 2021. De dag heeft als doel om aandacht te vragen voor de noodzaak van het inschakelen van een gespecialiseerde familierechtadvocaat bij vragen over een echtscheiding en aanverwante zaken.

De advocaten van Boeve Familierecht staan het hele jaar door klaar om vragen te beantwoorden en advies te verstrekken over al hetgeen dat komt kijken bij een (echt)scheiding. Op de Dag van de Scheiding willen we dit nog laagdrempeliger maken. Daarom openen wij op vrijdag 10 september a.s. onze deuren voor een vrijblijvend en gratis kennismakingsgesprek. Tijdens dit gesprek zullen wij informatie geven over het scheidingsproces en alle mogelijke vragen beantwoorden. In verband met het coronavirus vragen wij u ook dit jaar om van tevoren wel een afspraak te maken. Dit kan via info@boevefamilierecht.nl of 026 – 3823114.

Pilot deelgeschillen in familierechtzaken bij de Rechtbank Gelderland

Sinds enkele maanden loopt bij de Rechtbank Gelderland het project van de deelgeschillenrechter in familiezaken. De bedoeling hiervan is dat partijen die in onderhandeling zijn één relatief eenvoudig onderwerp – waardoor het niet mogelijk is een algehele oplossing te bereiken – samen aan de deelgeschillenrechter kunnen voorleggen.

De pilot is bedoeld voor stellen (zowel gehuwd, geregistreerd partner als samenwonend) die in overleg zijn over de gevolgen van de verbreking van hun relatie of over een geschil dat na het verbreken van de relatie is ontstaan. Voorwaarde is dat zij bezig zijn om dit geschil op te lossen onder begeleiding van één of meer advocaten, een MfN-mediator of een notaris. Lukt het niet om op alle onderwerpen overeenstemming te bereiken en staat één relatief eenvoudig onderwerp daar aan in de weg, dan bestaat er dus de mogelijkheid om alleen dit ‘deelgeschil’ aan de deelgeschillenrechter voor te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat er op alle punten met betrekking tot de echtscheiding overeenstemming is bereikt, maar het alleen niet lukt om het eens te worden over de hoogte van de partneralimentatie.

De deelgeschillenrechter behandelt de zaak in principe binnen twee weken nadat het verzoek is binnengekomen. Deze behandeling wijkt af van een reguliere zitting bij de rechtbank. Het is namelijk niet toegestaan om tijdens de behandeling te pleiten en ook is het noodzakelijk dat partijen zelf allebei bij de behandeling aanwezig zijn. Het is dus niet toegestaan dat partijen alleen een gemachtigde sturen, zonder dat zij zelf fysiek aanwezig zijn. Uiteraard is het wel toegestaan om samen met een gemachtigde (zoals een advocaat) aanwezig te zijn.

Tijdens de behandeling probeert de deelgeschillenrechter alsnog samen met partijen overeenstemming te bereiken. Lukt dat niet, dan zal de deelgeschillenrechter een beslissing nemen. De bedoeling is dat deze beslissing binnen een week na de zitting volgt. Partijen kunnen vervolgens verder met hun onderhandelingen en op die manier alsnog een totaaloplossing bereiken.

Voor een dergelijk deelgeschil wordt een gereduceerd tarief aan griffierecht in rekening gebracht. Voor 2021 is het griffierecht op 85 euro vastgesteld, waarvan iedere partijen de helft dient te voldoen. Er kan dus op relatief snelle en goedkope wijze om een beslissing worden gevraagd.

Het deelgeschillentraject kan alleen worden gevolgd als beide partijen hiervoor openstaan en er een gezamenlijk verzoek wordt gedaan. Het traject kan vervolgens ook alleen op verzoek van beide partijen worden ingetrokken. Een laatste voorwaarde is dat er verder geen procedures bij de rechtbank mogen lopen.

De advocaten van Boeve Familierecht zijn zeer positief over deze pilot. Wilt u weten of deze pilot ook iets voor u kan zijn of heeft u een ander familierechtelijk geschil? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen, wij staan u graag te woord. U kunt ons bereiken via info@boevefamilierecht.nl of 026 – 3823114.

Het gebruik van een geslachtsnaam: tekst en uitleg

In Nederland staat het voeren van een geslachtsnaam niet geheel vrij. In het Burgerlijk Wetboek zijn hier allerlei regels over terug te vinden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen regels voor geslachtsnamen die aan een kind kunnen worden gegeven en regels voor geslachtsnamen die door echtgenoten en geregistreerde partners in het maatschappelijk verkeer mogen worden gevoerd. Beide onderwerpen kwamen recentelijk in het nieuws. Reden voor ons om wat meer tekst en uitleg hierover te geven.

De geslachtsnaam van een kind

Op dit moment is het zo dat ouders bij de geboorte van hun kind kunnen kiezen welke geslachtsnaam aan het kind wordt gegeven. Daarbij kan een keuze voor de geslachtsnaam van de vader/duomoeder worden gemaakt, of voor de geslachtsnaam van de geboortemoeder. Wanneer de ouders geen keuze maken, krijgt het kind in geval van een huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ouders automatisch de geslachtsnaam van de vader of duomoeder. In geval van ongehuwde en niet geregistreerde stellen krijgt het kind automatisch de geslachtsnaam van de geboortemoeder. Ouders kunnen alleen ten aanzien van hun eerste kind kiezen welke geslachtsnaam aan het kind wordt gegeven. Wordt er binnen hetzelfde gezin later nog een kind geboren, dan krijgt het volgende kind automatisch dezelfde geslachtsnaam. Dit om de eenheid binnen het gezin te bevorderen.

Recent is er een wetsvoorstel ingediend dat het mogelijk moet maken om aan het kind de geslachtsnamen van beide ouders te geven. Het kind kan dan de geslachtsnamen van beide ouders dragen, met een maximaal van twee. De geslachtsnaam zal geschreven gaan worden zonder koppelteken. Ouders krijgen dan dus de mogelijkheid om hun kind de naam Jansen, De Boer, Jansen De Boer of De Boer Jansen te geven. Het is niet verplicht hiervoor te kiezen. Wanneer de ouders geen keuze maken, blijft de standaardregeling van toepassing. Ook hier geldt weer dat als de ouders bij de geboorte van hun eerste kind eenmaal een keuze hebben gemaakt, deze keuze van toepassing blijft op eventuele latere kinderen die binnen het gezin worden geboren. In het wetsvoorstel wordt overigens niet uitgegaan van terugwerkende kracht. De keuze voor een dubbele geslachtsnaam wordt dus – als er niets aan het wetsvoorstel wordt veranderd – alleen mogelijk voor kinderen die geboren worden nadat het wetsvoorstel is aangenomen en in werking is getreden.

Te allen tijde is het raadzaam om goed na te denken over de keuze die wordt gemaakt. Een eenmaal gemaakte keuze is namelijk niet gemakkelijk terug te draaien. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om de geslachtsnaam van een kind te wijzigen. Dit geschiedt niet via een gerechtelijke procedure, maar via een verzoek aan de Koning. Wanneer een kind twee gezaghebbende ouders heeft, is hiervoor toestemming van beide ouders nodig. Indien aan de orde kan hiervoor aan de rechtbank vervangende toestemming worden gevraagd. In alle gevallen is het aan te bevelen om vooraf juridisch advies in te winnen over het traject tot wijzigen van de geslachtsnaam van een kind. De advocaten van Boeve Familierecht kunnen u hierover informeren.

Het voeren van de geslachtsnaam van de echtgenoot of geregistreerd partnerschap

Mensen die gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan, hebben de mogelijkheid om elkaars geslachtsnaam te voeren ‘in het maatschappelijk verkeer’. Dat betekent dat het is toegestaan om (een combinatie van) elkaars geslachtsnaam te gebruiken, gescheiden door een koppelteken. De volgorde mag men daarbij zelf bepalen. Zo kun iemand dus na het huwelijk of geregistreerd partnerschap Jansen, De Boer, Jansen-De Boer of De Boer-Jansen gebruiken. Zo’n keuze verandert niets aan de officiële geslachtsnaam. Deze blijft altijd zoals vermeld staat op de geboorteakte.

Ook na beëindiging van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap is het in beginsel nog toegestaan om de geslachtsnaam van de ex-partner te blijven gebruiken. Daarvoor is geen toestemming van de ex-partner vereist. Wel kan de ex-partner aan de rechter verzoeken om deze bevoegdheid te ontnemen indien hij of zij daar gegronde redenen voor heeft. Dat laatste is alleen mogelijk als er uit het huwelijk of geregistreerd partnerschap geen afstammelingen zijn voortgekomen. Dit betekent dus in beginsel dat wanneer mensen uit elkaar gaan, zij nog steeds de achternaam van hun ex-partner kunnen blijven dragen als zij dit wensen, zonder dat de ex-partner hier iets over heeft te zeggen.

Recentelijk deed de Rechtbank Noord-Nederland een uitspraak[1] waarbij het recht om ook na het huwelijk de geslachtsnaam van de ex-partner te blijven voeren een rol speelde. Partijen waren gescheiden, maar beiden nog in dienst van dezelfde BV. De man was van deze BV directeur en (indirect) grootaandeelhouder en de vrouw bezat (indirect) 30% van de aandelen. De vrouw koos ervoor om ook na de echtscheiding de geslachtsnaam van haar ex-partner te blijven gebruiken. De man was het daar niet mee eens en had op de website van de BV en in de interne systemen de geslachtsnaam van de vrouw gewijzigd. De vrouw vorderde vervolgens in kort geding dat de wijziging van haar geslachtsnaam op de website en in de interne systemen ongedaan werd gemaakt. Na een belangenafweging gaf de rechtbank de vrouw gelijk. De man had enkel aangevoerd dat hij ervoor vreesde dat zijn bedrijf schade werd toegebracht wanneer de vrouw zijn geslachtsnaam zou blijven gebruiken. De rechtbank achtte deze vrees onvoldoende onderbouwd en verder waren er door de man geen gewichtige redenen naar voren gebracht, die ertoe zouden moeten leiden dat de vrouw de geslachtsnaam van de man niet meer mocht gebruiken. De vrouw mocht dus de geslachtsnaam van de man blijven gebruiken.

Tot slot

Of het wetsvoorstel om aan kinderen een dubbele geslachtsnaam te kunnen geven uiteindelijk wordt aangenomen, is nog afwachten. Zoals gezegd is het altijd raadzaam om goed na te denken over deze keuze omdat het doorgaans erg lastig is om deze later nog te wijzigen. Het voeren van de geslachtsnaam van een echtgenoot of geregistreerd partner, verandert niets aan de officiële geslachtsnaam. Deze keuze is later wél terug te draaien, al bestaat er dus ook de mogelijkheid om hier na de echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap nog steeds gebruik van te blijven maken.

Heeft u vragen over dit onderwerp of een ander familierechtelijk geschil? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen, wij staan u graag te woord. U kunt ons bereiken via info@boevefamilierecht.nl of 026 – 3823114.

[1] Rechtbank Noord-Nederland, 28 januari 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:225.

Vervangende toestemming voor vaccinatie

Nog niet zo lang geleden was het wel of niet laten vaccineren van kinderen een ‘hot topic’. Het overgrote deel van de ouders laat hun kinderen deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma, maar er zijn ook ouders die dat niet doen en uit de praktijk blijkt dat dit steeds vaker onderwerp van gesprek is. Voor (gescheiden) ouders kan dit onderling een bron van conflict vormen. Op dit moment staat het coronavaccin op het punt om te worden uitgerold. Reden genoeg voor een nadere beschouwing van het juridische aspect met betrekking tot het wel of niet laten vaccineren van kinderen.

Het laten vaccineren van kinderen wordt gezien als een gezagsbeslissing in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Iedere ouder die met het gezag over een kind is belast, is dus bevoegd om hier een beslissing over te nemen. Wanneer ouders gezamenlijk het gezag over een kind hebben en het niet eens worden over deze kwestie, kunnen zij aan de rechter vragen om een beslissing te nemen over het geschil en vervangende toestemming te verlenen voor het laten vaccineren.

Met betrekking tot vaccinaties die onderdeel zijn van het rijksvaccinatieprogramma, zijn er al een aantal gevallen bekend waarbij de rechtbank hierover een beslissing heeft genomen. Bij dergelijke beslissingen staat het belang van het kind voorop. In de regel blijkt uit de jurisprudentie dat de rechters de vaccinaties van het rijksvaccinatieprogramma in het belang van het kind achten, omdat zij anders meer risico zouden lopen om een (gevaarlijke) ziekte op te lopen waartegen zij gevaccineerd hadden kunnen zijn. Om die reden wordt er doorgaans vervangende toestemming verleend voor het laten vaccineren van het betreffende kind.[1]

Het coronavaccin zal (voorlopig) echter niet worden opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma. Omdat dit een nieuw soort virus en dus nieuw soort vaccinatie is, is er op dit moment nog weinig duidelijkheid. Ook is dus nog onduidelijk of de rechtbanken voor dit vaccin in de toekomst ook vervangende toestemming zullen verlenen. Dit zal de jurisprudentie op dit gebied uiteindelijk moeten uitwijzen. Interessant daarbij is om te kijken naar eerdere jurisprudentie die is gewezen met betrekking tot vaccinatie voor de Mexicaanse Griep. In 2009 zijn er door diverse rechtbanken uitspraken gedaan over het verlenen van vervangende toestemming voor vaccinatie tegen de Mexicaanse Griep. In vrijwel alle gevallen werd deze toestemming niet verleend, omdat de rechters vonden dat de vaccinatie niet noodzakelijk was om ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind te voorkomen.[2] Natuurlijk is het Coronavirus niet hetzelfde als de Mexicaanse Griep, maar voor beide vaccinaties geldt wel dat zij niet zijn/worden opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma. Daarom is het wel interessant om naar de uitspraken rondom vaccinatie tegen de Mexicaanse Griep te kijken. Ten aanzien van het coronavaccin zal dus nog moeten blijken of rechters dit vaccin wél noodzakelijk vinden om ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind te voorkomen. Dit zal in iedere procedure opnieuw worden getoetst en daarbij zullen ook de concrete omstandigheden van het geval telkens een rol spelen.

Mocht het zo ver komen dat u een conflict krijgt over het wel of niet laten vaccineren van uw kind(eren), laat u dan goed voorlichten over de juridische mogelijkheden. Uiteraard kunt u altijd contact met ons opnemen voor meer informatie via 026-3823114 of info@boevefamilierecht.nl.

[1] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:4218) en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 januari 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:257)

[2] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Roermond van 26 november 2009 (ECLI:NL:RBROE:2009:BK5011) en de uitspraak van de Rechtbank Zutphen van 10 december 2009 (ECLI:NL:RBZUT:2009:BK7069).

Automatisch gezamenlijk gezag door erkenning een stapje dichterbij

Afgelopen maand heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel tot het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag door erkenning aangenomen. Als ook de Eerste Kamer dit wetsvoorstel aanneemt, betekent dit dat er een wetswijziging optreedt in het gezamenlijk gezag van ouders over hun kinderen.

Wat staat er in het wetsvoorstel?

Het wetsvoorstel regelt dat wanneer een kind wordt erkend, er automatisch ook gezamenlijk gezag ontstaat voor de moeder van het kind en degene die het kind heeft erkend. Op dit moment is dit nog niet het geval en zijn de erkenning van het kind en het aantekenen van het gezamenlijk gezag twee losse handelingen. De erkenning van het kind (waardoor de erkenner de juridisch ouder wordt) wordt geregeld bij de burgerlijke stand van de gemeente en het gezamenlijk gezag (waardoor er andere rechten en plichten richting het kind en de andere ouder ontstaan) ontstaat door aantekening daarvan in het gezagsregister bij de rechtbank. Voor beide handelingen is toestemming van de andere ouder nodig en als deze ontbreekt, kan dit via de rechtbank worden gevraagd.

Voor ouders die met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap hebben op het moment dat het kind wordt geboren, geldt wel dat de partner van de moeder automatisch juridisch ouder wordt en dat de ouders automatisch gezamenlijk met het gezag worden belast. Er worden echter steeds vaker kinderen geboren waarbij de ouders niet met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap hebben. In dat geval is het dus nog nodig dat het kind wordt erkend om twee juridische ouders te krijgen en moet het gezamenlijk gezag worden aangetekend in het gezagsregister. Als het wetsvoorstel in werking treedt, hoeft er alleen nog maar een erkenning bij de burgerlijke stand van de gemeente te worden geregeld en worden de ouders vervolgens daarna van rechtswege met het gezamenlijk gezag belast.

De uitzonderingen

Niet in alle gevallen betekent de erkenning dat er automatisch ook gezamenlijk gezag ontstaat. Een belangrijke uitzondering is aan de orde wanneer er door de rechtbank vervangende toestemming wordt verleend voor de erkenning. In dat geval verkrijgt deze ouder niet van rechtswege gezamenlijk het gezag over een kind. In die situatie zal dus tegelijkertijd met het verzoek om vervangende toestemming voor de erkenning, ook een verzoek tot gezamenlijk gezag bij de rechtbank moeten worden ingediend. Daarnaast kunnen de moeder van het kind en de erkenner er ook samen voor kiezen dat het gezag over het kind alleen bij de moeder blijft rusten.

Voorkomen van geschillen

Het doel van het wetsvoorstel is het voorkomen van geschillen in de toekomst. Nu ontstaan deze  geschillen bijvoorbeeld als de ouders van het kind uit elkaar gaan en blijkt dat een van de ouders niet is belast met het gezag over het kind. Wanneer deze ouder ook gezag wil krijgen en de andere ouder weigert om daar medewerking aan te verlenen, is een procedure bij de rechtbank onvermijdelijk. Ook kunnen er problemen ontstaan als de ouder die alleen het gezag over het kind heeft komt te overlijden. Er is dan sprake van een gezagsvacuüm, de situatie waarin er geen gezag over het kind is. Het vervelende daarbij is dat veel ouders niet weten dat voor het gezamenlijk gezag een afzonderlijke handeling nodig is en deze geschillen dus voorkomen hadden kunnen worden als de ouders het gezamenlijk gezag tijdens de relatie al hadden geregeld. Als het wetsvoorstel in werking treedt, is dat in de toekomst dus niet meer nodig.

Overgangsrecht

Het is nog afwachten wanneer het wetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt behandeld en of het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen. Vervolgens zal de wet ook nog in werking moeten treden. De wetswijziging zal dan van toepassing zijn op kinderen die na de inwerkingtreding van de wet worden geboren. In alle andere gevallen is het dus nog steeds noodzakelijk dat de ouders zowel de erkenning, als afzonderlijk het gezamenlijk gezag regelen.

Heeft u vragen over dit wetsvoorstel of nu al problemen met de erkenning of het gezamenlijk gezag? Wij beantwoorden uw vragen graag. Neem vrijblijvend contact met ons op via info@boevefamilierecht.nl of bel 026-3823114.

Het geregistreerd partnerschap: hoe en wat?

Al een aantal jaren wint het geregistreerd partnerschap in Nederland aan populariteit, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Oorspronkelijk werd deze formele relatievorm in 1998 ingevoerd voor paren van gelijk geslacht. Tegenwoordig zijn het vooral jongere stellen die voor het geregistreerd partnerschap kiezen, zo blijkt uit diezelfde cijfers.

Vaak wordt het geregistreerd partnerschap verward met een samenlevingscontract. Dit zijn echter twee verschillende dingen. Het samenlevingscontract komt niet in de wet voor. Het is doorgaans een notariële akte of overeenkomst waarin samenwoners afspraken met elkaar kunnen maken over bijvoorbeeld de kosten van de huishouding en de gezamenlijke woning. Voor het beëindigen van het samenlevingscontract is ook geen rechterlijke uitspraak vereist. Vaak is in het samenlevingscontract zelf geregeld hoe dit kan worden opgezegd.

Het geregistreerd partnerschap daarentegen is wel in de wet geregeld en is om die reden ook een stuk minder vrijblijvend. Een verschil is bijvoorbeeld dat het geregistreerd partnerschap bij de burgerlijke stand van de gemeente moet worden aangegaan, net zoals een huwelijk. Daarnaast zijn de gevolgen van een geregistreerd partnerschap (grotendeels) gelijkgesteld aan de gevolgen van een huwelijk. Zo ontstaat er na het sluiten van een geregistreerd partnerschap bijvoorbeeld een (beperkte) gemeenschap van goederen[1] (tenzij er partnerschapsvoorwaarden worden opgesteld waarbij daarvan wordt afgeweken), ontstaat er recht op partneralimentatie na het beëindigen van het geregistreerd partnerschap en heeft het geregistreerd partnerschap ook automatisch gevolgen voor de afstamming en het ouderlijk gezag ten aanzien van kinderen die tijdens het geregistreerd partnerschap worden geboren.  De partner van de moeder uit wie het kind wordt geboren, wordt van rechtswege de juridisch ouder van het kind en voor beide ouders ontstaat automatisch gezamenlijk gezag.

De ontbinding van het geregistreerd partnerschap vertoont grote gelijkenissen met de echtscheidingsprocedure, maar er zijn ook verschillen. Waar er bij een echtscheidingsprocedure namelijk altijd een uitspraak van de rechter nodig is, bestaat er in sommige gevallen bij een geregistreerd partnerschap ook de mogelijkheid om dit zonder tussenkomst van de rechter te beëindigen. Dit is het geval als er geen minderjarige kinderen zijn betrokken en beide partners het over de beëindiging eens zijn. De beëindiging van het geregistreerd partnerschap kan dan met wederzijds goedvinden worden ingeschreven bij de burgerlijke stand. Wel moet daarvoor een verklaring worden opgesteld die door minimaal één advocaat of notaris en beide partners is ondertekend. Zijn er wel minderjarige kinderen betrokken, dan moet er een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap bij de rechtbank worden ingediend. Dit kan zowel een eenzijdig verzoek van één van de partners zijn, als een gezamenlijk verzoek. Het verzoek dient echter altijd door een advocaat te worden ingediend. De procedure die dan bij de rechtbank moet worden doorlopen, werkt hetzelfde als de echtscheidingsprocedure.

In alle gevallen is het raadzaam om bij het verbreken van een relatie deskundig advies in te winnen, of het nu gaat om het beëindigen van een samenlevingscontract, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Ook als het lijkt alsof tussen de partners overal overeenstemming over bestaat, kan dergelijk advies geen kwaad. Niets is namelijk zo vervelend als gemaakte afspraken die later toch niet helemaal aan alle verwachtingen blijken te voldoen. De advocaten van Boeve Familierecht staan graag voor u klaar om u te informeren. Neem gerust vrijblijvend contact met ons op via info@boevefamilierecht.nl of 026-3823114.

 

[1] Sinds 1 januari 2018 is dit de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen.

Indexeringspercentage alimentatie 2021 bekend

Vorige week heeft de overheid het nieuwe indexeringspercentage voor alimentatieverplichtingen bekend gemaakt. Per 1 januari 2021 stijgen de alimentatiebedragen met 3%. Op basis van de wet geldt dit indexeringspercentage voor alle alimentatieverplichtingen, tenzij partijen de wettelijke indexering contractueel hebben uitgesloten.

Het indexeringspercentage wordt jaarlijks bepaald door de minister van justitie en hangt af van de loonstijgingen. Alimentatieplichtigen doen er goed aan om de indexering uit eigen beweging per 1 januari door te voeren. Wordt dit nagelaten, dan kan de alimentatiegerechtigde hem of haar daar op aanspreken.

Vragen over dit onderwerp of een ander onderwerp? Neem gerust contact met ons op via 026-3823114 of info@boevefamilierecht.nl.